Thuis

Tijdens een voordracht op een school vraagt een leerling mij op verlegen toon of ik me in Paramaribo thuis voel. Ik probeer er iets leuks van te maken en zeg ja, maar het huis is aan een flinke verbouwing toe.

Het is valse leukigheid natuurlijk. De vraag is ernstig en ik heb hem een heleboel keren in alle eerlijkheid proberen te beantwoorden, maar ik faalde telkens weer. Het is ook een moeilijk gevoel, thuis. Thuis is waar je geliefde is, waar je kinderen zijn, waar je je boeken hebt en vrienden naar wie je in maximaal twintig minuten toe kunt rijden. Thuis is de onverzorgde tuin waar je goede voornemens over hebt en de supermarkt waar je de caissières van kent. Thuis, dat zijn de kasten in de keuken die je blindelings opendoet om de juiste pan te vinden. Thuis is waar je weet om hoe laat de krant door het gleufje in de voordeur op de mat valt, thuis is routine en een eigen plek op de bank.

Het gekke is: thuis is ook dat verleden waarin je je jeugd doorbracht.

Het huis waarin ik opgroeide, staat te koop. Ik ben er naar toe geweest, min of meer per ongeluk, en het huis is kleiner geworden. Herinneringen zijn kennelijk groter dan de werkelijkheid. De ramen zijn dichtgetimmerd en de grote dennenbomen zijn verdwenen. Het is een bouwval, mijn ouderlijke huis, en ik zou het zo willen terugkopen, als ik het gevoel had daar weer thuis te kunnen zijn. Ik ken de trap naar boven en de smalle gang met een schoenenrek, waar ik mijn eerste boekje las. Maar het is nonsens, ik moet toegeven dat het een bouwval is en daarmee uit. Maar jeugd schijnt nooit uit te zijn.

Ik ben niet op zoek naar jeugd of thuisgevoel, maar je kunt er zo makkelijk in verdwalen, in Paramaribo. Waar kocht ik ook alweer dat broodje met zoute vis? De zaak is er nog, maar dat broodje was vroeger lekkerder. Herinneringen zijn lekkerder dan de werkelijkheid.

Het moeilijkste aan de herinnering is de toetsbaarheid. Heb ik me vroeger zo vergist? Was dat bestaan een misverstand? Een lange toestand van zelfbedrog? Zal wel niet. Maar herinneringen gaan wel met je aan de haal. Het zijn de extremen die blijven, alle grijsgebieden verdwijnen. Ik herinner me Paramaribo als een vijandige stad. Met gevaar voor eigen leven ging je de straat op. Elke behouden thuiskomst was een kwestie van geluk.

Dat is dus niet waar. Ik ervaar Paramaribo nu als een onschuldige stad. Een stad waar niets gebeurt. Er zijn zwervers, dat is zo, maar die zijn meer een gevaar voor zichzelf dan voor anderen. Er vinden soms berovingen plaats, behoorlijk hardhandige berovingen, onredelijk gewelddadig, als je de berichten moet geloven, alsof de rover ontzettende moeite heeft moeten doen om je horloge en je mobiele telefoon te bemachtigen. Zulke berichten lees ik, maar zo een situatie heb ik nog niet meegemaakt. Bovendien zou ik bij het minste en geringste mijn horloge en mijn mobiele telefoon afstaan.

Ik herinner me Paramaribo als een stad van bioscopen en zaakjes waar je ijsjes kon krijgen. De bioscopen zijn verdwenen en ijsjes lust ik niet meer, maar wat zou dat? Er zijn genoeg plekjes waar je aangenaam kunt vertoeven, al zijn ze meestal niet meer dan stoepjes met plastic stoelen, met rare namen als ‘Tangelo’.

En toch wil je je herinnering op de een of andere manier bevestigd krijgen. Mensen leven bij gratie van die bevestiging, maar de stad werkt niet mee. Veel is hetzelfde en toch is alles anders, alsof de stad de herinnering afstraft. Waarom zou die stad dat willen doen? Waarom zou een stad waar je je jeugd hebt doorgebracht, zo zijn best doen om je van je waanbeelden af te helpen?

Ik kan nog altijd, zonder een kaart te raadplegen, mijn weg meestal vinden. Maar steeds weer denk je: hier was vroeger een winkel voor knopen en garen, daar was vroeger de zaak waar ik mijn eerste langspeelplaat kocht, van Carlos Santana, ‘Abraxas’, zo heette die plaat. Vanwaar die behoefte om alles weer te vinden, laat die stad toch zijn gang gaan!

Zo nonchalant als ik nu klink, zo nonchalant ben ik in werkelijkheid niet. Ik ben niet sentimenteel, maar wel gevoelig genoeg om te zien dat alles vergaat en alles verandert. Zelfs als het verbeteringen zijn, heb ik er heimelijk de pest in. Wat zou anders de reden zijn dat ik mijn kinderen nooit naar Paramaribo heb gebracht? Over de hele wereld heb ik met ze rondgezeuld, zo dicht als Trinidad zijn we gekomen, maar Paramaribo was een stap te ver. Of te dichtbij, eigenlijk.

De stad zoals die was in mijn herinnering, is er niet meer. De stad waar ik altijd tegen iedereen zo bevlogen over vertelde, die stad heeft me belazerd door niet meer te zijn zoals ik het me herinnerde. In grote lijnen klopt alles nog, maar het zijn de details die vergaan. De plek waar ik mijn haren liet knippen, niet meer dan een hut tussen twee panden aan de Sophie Redmondstraat, die hut is er nog. Er staat nog steeds ‘Barbershop’ boven. En de kapper is allang dood en niemand heeft de moeite genomen het woordje barbershop te verwijderen.

Misschien moet ik ermee ophouden, mijn verzet tegen het thuisvoelen. Zoveel mensen voelen zich hier moeiteloos thuis, dat moet mij op den duur toch ook wel lukken? Gewoon doen alsof je geen herinneringen hebt, dat helpt.

ramdas@nrc.nl