Samen in de naam van Jezus

De ChristenUnie sloot compromissen om mee te regeren. Maar de staatkundige vleugel in de partij staat onder druk. Hoe de ‘activisten’ de ‘rechtstatelijken’ langzaam verdringen. Het strijdpunt: Israël.

Op die bijeenkomst werd niet alleen feestgevierd, maar ook gebeden. Foto’s Vincent van den Hoogen Eindhoven, 10-02-2007; Bijeenkomst van de ChristenUnie in het Van Abbe Museum, de aftrap van de provinciale campagne. Klaas Koelewijn bidt na afloop van de bijeenkomst, voor de lunch. Foto Vincent van den Hoogen. Hoogen, Vincent van den

Ze vierden feest, het afgelopen weekend. Het was volgens de partijleiding zelfs „licht bourgondisch”. Op een partijbijeenkomst in het Van Abbemuseum in Eindhoven werd de regeringsdeelname van de ChristenUnie dit weekend met applaus begroet. En er was meer om feest over te vieren. In de zuidelijke provincies is de ChristenUnie aan een opmars bezig. Tijdens de verkiezingen van november wist de partij haar stemmenaantal in Brabant en Limburg te verdrievoudigen. De partij hoopt voor het eerst zetels in de Provinciale Staten van de rooms-katholieke provincies te krijgen.

De ChristenUnie, zegt partijvoorzitter Peter Blokhuis, „is een oecumenische partij”. De Limburgse afdeling van de partij telt al 150, meestal rooms-katholieke leden. Dit jaar staan er voor het eerst rooms-katholieken op de kandidatenlijst voor de verkiezingen voor de Provinciale Staten. En dat voor de protestantse partij die in de Uniefundering van 2000 nog verwijst naar de Heidelbergse Catechismus, waarin een passage staat over „de vervloekte afgoderij” van „de paapse mis”. Partijdirecteur Henk van Rhee: „We verloochenen onze wortels niet. Maar we willen wel een partij voor alle christenen zijn. Dat de Catechismus iets zegt over de kinderdoop of de mis is politiek irrelevant.”

Een lichte jubelstemming heeft zich meester gemaakt van de ChristenUnie. Bij de gemeenteraadsverkiezingen wist de partij lokaal grote winst te boeken, in november verdubbelde het zetelaantal tot zes. Voor het eerst gaat de ChristenUnie meeregeren. De achterban vindt het prachtig: meer dan 95 procent van de leden steunde al op voorhand deelname aan het kabinet-Balkenende IV, met CDA en PvdA.

„Zeer tevreden” kijkt ook André Rouvoet terug op de kabinetsformatie. Hij ziet in het regeerakkoord „duidelijke, herkenbare punten” van de ChristenUnie terug. Er komt een minister voor Jeugd en Gezin, vermoedelijk Rouvoet zelf. Er komt een pakket „positieve maatregelen”, die abortus moeten voorkomen. Er komt geld voor meer pijnbestrijding bij stervenden, om euthanasie te voorkomen. En er komt een verbod op alcoholreclame in de vroege avond. Rouvoet, vorige week donderdag in de Kamer: „Ik vind het grote klasse.”

Voordat hij begon met onderhandelen, reed André Rouvoet op een avond langs bij zijn politieke leermeester, oud-RPF-voorman Meindert Leerling. „Hij wilde horen wat ik ervan zou vinden”, zegt Leerling, in zijn huis in Bergambacht. „We hebben nog altijd een open lijn.”

Leerling las psalm 72: „O God, geef de koning Uw recht en Uw gerechtigheid aan de koningszoon. Dan zal hij Uw volk oordelen met gerechtigheid en Uw ellendigen met recht.” Leerling: „Die psalm gaat over rechtvaardigheid, ook in de politiek. Op basis daarvan heb ik wel mijn zorgen. Maar de Bijbel is geen Handboek Soldaat. Hij zal zelf keuzes moeten maken en compromissen moeten sluiten.”

De ChristenUnie staat bekend als een stabiele factor in de politiek, maar het is vooral een onbekende partij. Ze gold tot 2003, het jaar dat Rouvoet de ex-GPV’er Kars Veling verving als politiek leider, als ‘klein-rechts’. In zijn boek Het hart van de zaak, van vorig jaar, schrijft Rouvoet opgelucht dat collega’s en journalisten hem nooit meer onder de rechtse politici scharen. Maar hij wil ook niet de indruk wekken, schrijft hij, dat hij een linkse partij zou leiden. De partij moet opkomen voor de zwakkeren in de samenleving, vindt Rouvoet. Daaronder verstaat de partij asielzoekers en mensen met een uitkering. Maar net zo belangrijk zijn ongeboren kinderen, of mensen die op sterven liggen.

De echte revolutie van de ChristenUnie speelt zich niet in Limburg af. De ledenaanwas komt voor het overgrote deel uit de Randstad en de middelgrote gemeenten. De voorgangers van de ChristenUnie, het GPV en de RPF, moesten het nog meer van het regionale gebied tussen Zeeland en Overijssel hebben.

De ChristenUnie groeit de laatste paar jaar vooral sterk onder evangelische christenen. Voorzitter Rogier Havelaar van jongerenorganisatie PerspectieF herinnert zich een campagnebijeenkomst van Rouvoet in een migrantenkerk in de Bijlmer in Amsterdam. Er was een gospelkoor, in de zaal zaten veel Ghanezen. „Wat vindt uw achterban hiervan?”, had een journalist gevraagd. Havelaar: „André zei terug: deze mensen zijn mijn achterban!”

Een van de voorgangers van de ChristenUnie is het Gereformeerd Politiek Verbond. Die partij bestond uitsluitend uit leden van de vrijgemaakt-gereformeerde kerk. Dit kleine kerkgenootschap gedroeg zich als een echte zuil, met een eigen krant (het Nederlands Dagblad), eigen scholen en een eigen partij. De partij, lange tijd onder leiding van Gert Schutte, gold als rechtlijnig, maar politiek gematigd.

De Reformatorisch Politieke Federatie ontstond in 1975 als protestpartij tegen de vrije cultuur van de jaren zeventig. De partij trok orthodoxe gereformeerden, GPV-sympathisanten die niet vrijgemaakt waren, baptisten en een kleine groep evangelische christenen. De leden voelden zich niet langer thuis bij de al bestaande christelijke partijen, omdat die bezig waren met katholieken het CDA op te richten. De EO werd de informele spreekbuis van de RPF. Meindert Leerling, toen redacteur van de EO, werd na vier jaar het gezicht van de partij. „Het GPV was meer van het politieke ambacht”, zegt Leerling. „Wij vonden ze wel eens te zakelijk. Geloof moet je ook laten zien.”

Sinds GPV en RPF in 2000 samengingen in een ‘unie’ – een fusie mocht het vanwege de religieuze gevoeligheid nog niet heten – is de achterban van de nieuwe partij snel aan het veranderen. Senator en beoogd lijsttrekker voor de Eerste Kamer Egbert Schuurman (69) zegt dat „de meer bestuurlijk ingestelde vleugel” in de ChristenUnie „onder druk is komen te staan”. Schuurman kijkt wel eens naar de tv-kerkdienst The Hour of Power, van de Amerikaanse dominee Schuller. „Dat zelfbewuste, dat misschien wel kinderlijk naïeve. Dat zie je ook wel terug in de ChristenUnie van nu. De evangelisch bevlogen christenen hebben nu meer invloed. Die willen daden zien.”

Peter Blokhuis denkt dat de stem van het meer staatkundig georiënteerde deel van de partij, grofweg de voormalige GPV-achterban en een belangrijk deel van het RPF-kader, minder te horen is. „De evangelische beweging is daarvoor in de plaats gekomen. Die zijn veel activistischer.” De ledengroei van het afgelopen jaar komt volgens het partijbureau bijna uitsluitend op naam van evangelische christenen. In de Tweede Kamerfractie zitten er nu twee: Joël Voordewind en Cynthia Ortega.

André Rouvoet (45) is de onbetwiste leider van de ChristenUnie. Hij is politiek leider én partij-ideoloog. Egbert Schuurman, tevens emeritus hoogleraar: „Ik plukte André in 1982 uit de collegebanken. Hij studeerde met zijn toekomstige vrouw Liesbeth cultuurfilosofie bij mij aan de Vrije Universiteit. Hij was serieus, en heel talentvol.” Rouvoet ging werken voor het wetenschappelijk bureau van de RPF en schreef een boek dat als handleiding diende voor het denken in de partij: Reformatorische staatsvisie.

Rouvoet is lid van de behoudende christelijke gereformeerde kerk, maar hij is ook sterk evangelisch geïnspireerd. Zijn favoriete lied is Samen in de naam van Jezus, dat volgens hem symbool staat voor de eenwording van RPF en GPV. Op partijcongressen wordt het vaak gezongen. Voor niet-evangelische leden het moment om even de wenkbrauwen te fronsen, zeker bij de passage: „Vader, met geheven handen, breng ik u mijn dank en eer.” Partijvoorzitter Blokhuis: „Die zingen liever een stevige psalm. Zij vinden evangelische liedjes vaak een beetje oppervlakkig, te arminiaans.”

Theologie, in dit geval het conflict tussen de zestiende-eeuwse geleerden Arminius en Gomarus, speelt in de partij nog altijd een grote rol. Arminianen geloven dat de mensen een vrije wil hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor hun daden. Gomaristen geloven in de ‘voorbeschikking’: bij de geboorte staat al vast of mensen genade krijgen of niet. Arminianen moeten het dus van hun daden hebben, Gomaristen zijn berustender.

Van theologie heeft het partijkader van de ChristenUnie wel verstand. Maar volgens Blokhuis is het grote verschil met het CDA dat de ChristenUnie een veel minder sterke politieke filosofie heeft. „De ChristenUnie heeft de laatste jaren te weinig aandacht besteed aan haar politieke filosofie. Er is een wetenschappelijk bureau, maar dat publiceert alleen kleine brochures, geen doorwrochte visies. Alleen de boeken van Rouvoet zijn van groot gewicht.” Blokhuis zou veel meer debat in zijn partij willen zien. „Dat is het gevaar van een partij die zich direct baseert op de Bijbel.” Het gevolg, zegt Blokhuis, is dat de ChristenUnie van tijd tot tijd „een partij is die meer aan theologie doet dan aan politiek”.

Hoewel hij er niet vaak over praat, is Israël het belangrijkste politieke thema van André Rouvoet. In een reis die hij vorig jaar met IKON-programmamaker Paul Rosenmöller naar Jeruzalem maakte, noemde hij Jeruzalem „de reden waarom ik de politiek in ben gegaan”. Staand voor de afscheidingsmuur tussen Israël en de Palestijnse gebieden zegt Rouvoet dat hij „niet blind, maar wel vierkant achter Israël staat”. Rouvoet hekelt de „geweldige eenzijdigheid” van de internationale gemeenschap, die Israël „bij voorbaat verdacht maakt”. „Waarom hoor ik zo weinig over schending van mensenrechten in Palestijnse gebieden?”

Rouvoet werkte in de jaren tachtig als fractiemedewerker van Meindert Leerling, die nu werkt voor de organisatie Christenen voor Israël. Hij organiseert reizen. Israël, zegt hij, „heeft recht op het beloofde land”. „Het is het volk waar God een Plan mee heeft. Daarom hecht ik zo aan Jeruzalem.” Met een eigen Palestijnse staat is Leerling niet gelukkig. „Een staat die als doel heeft Israël te vernietigen, kan ik niet steunen.”

Voormalige RPF’ers en evangelische christenen zien Israël als het Beloofde Land. Maar onder voormalige GPV’ers merkt Leerling de neiging om anders tegen Israël aan te kijken. „Daar redeneren ze meer: Israël heeft Jezus als verlosser niet aanvaard. Dus de belofte dat Israël het volk van God is, is overgegaan op de christelijke kerk.”

Leerling weet dat het Israël-standpunt onder Rouvoet veilig is. Vorig jaar bepleitte hij in de oorlog tussen Israël en Hezbollah het recht op zelfverdediging van Israël. In het verkiezingsprogramma staat dat Jeruzalem de „ongedeelde hoofdstad” van Israël is. Maar tijdens het verkiezingscongres van oktober vorig jaar bleek hoe gevoelig Israël ligt. Voorzitter van de afdeling Lelystad Henk van der Molen diende een amendement in om de zin te schrappen. „Wij voelen ons ook verbonden met Israël”, zegt Van der Molen, oud-GPV’er. „Maar het hangt af van je interpretatie van de Bijbel of dat betekent dat Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad van Israël moet zijn. Bovendien: de Palestijnen hebben ook rechten.”

De jongeren van PerspectieF dienden eenzelfde amendement in. „Ik ben 23, ik probeer rationeel tegen het Midden-Oosten aan te kijken. Het is zo’n drama daar, Israël valt ook slordigheden te verwijten.” En: „Ik heb tegen Rouvoet gezegd: stel je nou eens voor dat Duitsland en Engeland bepalen dat niet Amsterdam, maar Rotterdam de hoofdstad van Nederland wordt. Het is toch niet aan ons om te bepalen hoe het zit met de hoofdstad van Israël?”

Havelaar vraagt zich nu al af hoe het straks moet met het Nederlandse Israël-standpunt, als André Rouvoet als vice-premier in het kabinet zit. Zou Nederland nog steeds Israëlische militaire acties veroordelen? „Als er problemen komen in het Midden-Oosten, kan dat tot spanning leiden.”

Voor André Rouvoet ligt aanpassing van het Israël-standpunt van de ChristenUnie zeer gevoelig, zegt voorzitter Blokhuis. De voorzitter oefende druk uit om de amendementen weer in te trekken. Henk van der Molen: „Het heeft tijd gekost de afdeling ervan te overtuigen dat intrekken van het amendement beter zou zijn. Ons werd gezegd: het congres is nu niet de gelegenheid om hier uitgebreid een discussie over te voeren.” De afdeling Lelystad is bezig een discussienota over Israël te schrijven. Die zal naar het partijbureau en de Tweede Kamerfractie gestuurd worden. Henk van der Molen: „Ik zou willen dat we er nu gewoon op een politieke manier over konden praten.” Ook voorzitter Blokhuis wil zo snel mogelijk een discussie in de partij beginnen over Israël. „Gerechtigheid betekent dat alle volkeren recht hebben op een bestaan.” Maar Israël is „een taboe” in de ChristenUnie. „Dit gaat niet over politiek, maar over theologie.”