Psalmen klinken weer als vrome orkanen

Het Psalmenoproer van Maarten ’t Hart is zaterdagmiddag in de Grote Kerk van Maasluis overgedaan. Een oerend hard werkcollege calvinistische kerkmuziek.

Herman Amelink

In Maassluis werd in de kerk zo luid gezongen dat het ‘over de dijk dreunde’, schreven Betje Wolff en Aagje Deken in de achttiende eeuw. Met de oproep ‘langzaam is vroom, hard is vroom’, deed de Haagse kerkmusicus Arie Eikelboom afgelopen zaterdag in de Grote Kerk van Maassluis een geslaagde poging het langzame, slepende, oerend harde zingen van weleer opnieuw te laten klinken. „Dit is nog te welluidend. U moet meer op de noten kauwen en langzaam naar de volgende noot toezingen”, moedigde hij de aanwezigen aan.

Voor ‘Zoals de vissers psalmen zongen’ waren zeshonderd programma's lang niet genoeg. Een half uur voor aanvang was de rij wachtenden in de Kerkstraat meer dan honderd meter lang. Zelfs uit Friesland waren psalmenliefhebbers naar Maasluis gekomen.

De bijeenkomst was een gevolg van het succes van Het Psalmenoproer van de overigens afwezige Maarten ’t Hart. Hij beschrijft de opstand die in 1774 in Maassluis ontstond over de wijze waarop de psalmen in de kerk dienden te worden gezongen. Tot dat jaar werden de psalmen gezongen onder leiding van een voorzanger, op de woorden van de uit de zestiende eeuw daterende berijming van Petrus Datheen. Orgels waren dankzij de overheid bij de Reformatie aan de beeldenstorm ontsnapt, maar zij werden in kerkdiensten vrijwel niet gebruikt. Invoering van een nieuwe berijming, een sneller zangtempo en een prominentere rol van het orgel leidden tot de opstand.

Arie Eikelboom liet de kerk zaterdag eerst een Datheen-psalm zingen onder leiding van de Maassluise predikant ds. Gert van Doornik als voorzanger. Vervolgens kregen de aanwezigen de in 1773 op instigatie van prins Willem V tot stand gekomen nieuwe berijming te zingen, begeleid door organist Jaap Kroonenburg, die wat sneller werd gezongen. Daarna werden twee groepen gevormd, waarbij de twee berijmingen en de twee tempi in absolute chaos door elkaar klonken. Het ontbrak er nog maar aan, dat ‘het grauw’ de Grote Kerk binnendrong met de leuze „Geef ons heden de ouden toon terug” en voorstanders van oude zangwijze aanhangers van de nieuwe zingtrant te lijf gingen, zoals Maarten ’t Hart beschrijft.

Het werd een praktisch werkcollege kerkmuziek, waarin Eikelboom duidelijk maakte hoe de oorspronkelijke lichtvoetige, ritmische wijze waarop de eerste volgelingen van Calvijn de psalmen ten gehore brachten onder invloed van voorzangers in de Nederlanden veranderde in een isometrische, lange slepende zingtrant. De voorzanger moest met een duidelijke langzame dictie de veelal analfabete kerkgangers de psalmen woord voor woord bijbrengen. Het gedragen tempo dat daardoor ontstond kreeg op den duur een heilige klank, waarvan veel kerkgangers niet meer af wilden.

Een bewerking van psalm 24 van Anthonie van Noordt (1619-1675) maakte hoorbaar hoezeer de zangpraktijk van de achttiende eeuw zich had verwijderd van de oorspronkelijke dynamiek van de Geneefse melodieën.

In de loop van de negentiende eeuw werd de positie van het orgel in de kerkdiensten steeds prominenter. Voorspelen, tussenspelen en naspelen kregen steeds meer een eigen karakter. Organisten ontwikkelden zich van dienstverleners tot orgelprofeten en hadden soms meer te vertellen dan predikanten. Hoogtepunt was psalm 138, getoonzet door Feike Asma, jarenlang vaste bespeler van het Garrelsorgel in Maassluis.

Tentoonstelling over het psalmenoproer: Gemeentemuseum Maaslsuis t/m 25/2 Inl: www.maassluismuseum.nl