Openbare taal

Als ik uit mijn kantoor naar beneden kijk, heb ik zicht op een parkeermeter. Daar, bij die parkeerzuil, hebben regelmatig kleine samenscholingen plaats.

Soms gaat het om twee of drie mensen, doorgaans uit dezelfde auto. Maar er komt ook weleens iemand uit een andere auto bij staan, en geregeld wordt die dan in het gesprek betrokken.

Waar de samenscholenden het precies over hebben, kan ik vanaf mijn positie natuurlijk niet verstaan, maar dat hoeft ook niet – ik weet het precies. I’ve been there.

„Tot hoe laat moet je hier nu betalen? Of is het nou al gratis? Weet jij hoe dit werkt? Hè verdorie, nu heb ik op de verkeerde knop gedrukt en is alles weer geannuleerd.”

En dan is dit nog een eenvoudige parkeerautomaat. Er zitten slechts twee knoppen op – een rode en een groene – drie toetsopties (‘I’, ‘II’ en ‘?’), en je kunt bij deze machine op twee manieren betalen: met geld of met een chipkaart.

Nee, dan die in Amsterdam. Het type dat ik ken: vier knoppen, rood, groen, geel en blauw, de keuze tussen een uurtarief, een dagtarief en een avondtarief, en uitgebreide mededelingen over op welke uren en op welke data je nu wel of niet hoeft te betalen.

De parkerende mens, is mijn ervaring, wil betalen en wegwezen – niet lang studeren op teksten en keuzemogelijkheden, het leven is al ingewikkeld genoeg. Daarom ben ik er een tijdje geleden toe overgegaan om mijn chipkaart in zo’n parkeerautomaat te jassen om vervolgens op de meest voor de hand liggende knopjes te drukken (dat is níét de rode, maar daar is alles mee gezegd). Als je boft ben je in gesprek geraakt met een machine die aangeeft dat je op dat tijdstip – na zevenen bijvoorbeeld – toevallig niks hoeft te betalen, maar er zijn automaten die gewoon afrekenen terwijl dat eigenlijk niet nodig is.

Apparaten in de openbare ruimte – ik heb er in het Regeerakkoord niks over kunnen vinden, maar er zou iets aan moeten worden gedaan.

Neem de pinautomaat in winkels. Simpeler kan het niet, zou je denken. Je hoeft alleen een kaart door een gleufje te trekken. Maar zoals bekend gaat het erom dat je de magneetstrip van de betaalkaart aan de goede kant houdt. Om aan te geven wélke kant, staat er op veel pinautomaten een symbool.

En, doet u het altijd in één keer goed?

Ik niet. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben die z’n pasjes vaak verkeerd in dat ding stopt, want bij supermarkten en benzinestations blijf ik speciaal om die reden weleens een tijdje wachten.

„Andersom graag.” „De strip aan de andere kant alstublieft.” „Geeft u ’m maar aan mij, dan doe ik het even.” En dat tientallen keren per dag.

Sommige winkeliers en benzinepomphouders zijn dit zó zat dat zij met plakband aanwijzingen op hun apparaat hebben geplakt als ‘strip hier’ of ‘magneetstrip aan deze zijde’.

Falende beeldtaal, dat symbool op de pinautomaten. En veel te veel ingewikkelde informatie op parkeerautomaten.

En dan zijn we er nog niet. Wie niet gewend is een treinkaartje te kopen bij zo’n geel monster op de treinstations (er zijn twee types), heeft daar een flinke dobber aan. Wilt u zien hoe stress de helderheid beïnvloedt, ga dan in een ziekenhuishal kijken bij het apparaat waar je je parkeergeld moet betalen. Dagelijks zijn er op ziekenhuisterreinen opstoppingen omdat iemand bij de slagboom wil betalen.

Een strippenkaart gebruiken in een vreemde stad? Je zult verbaasd staan hoe moeilijk het soms is om te ontdekken hoeveel zones je moet afstempelen.

Taal in de openbare ruimte – het is een vak apart.