Een nieuwe leraar is niet te vinden

Nergens slaat de vergrijzing zo hard toe als in het onderwijs.

Personeelstekort bedreigt de kwaliteit van de lessen.

Als klein jongetje al wist John van Heeswijk dat hij „iets met dieren” wilde doen. Maar dat hij op zijn 22ste biologieleraar zou zijn, en coördinator van de sector ‘zorg en welzijn’ op een vmbo-school, had hij toen nog niet kunnen vermoeden. Ja, terugkijkend kan hij het wel verklaren. „Dierenarts worden kon niet met mijn havo-diploma. En ik was altijd al iemand die in de klas de neiging had om uitleg te geven aan klasgenoten.”

Het onderwijs krijgt de komende jaren te maken met een groot lerarentekort, en dat dreigt de kwaliteit van het onderwijs aan te tasten. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) in Tilburg verwacht dat de vraag naar extra personeel de komende jaren meevalt. Jaarlijks zullen 0,7 procent extra mensen nodig zijn, iets minder dan het gemiddelde op de arbeidsmarkt van 1 procent. Dat komt neer op 13.800 voltijds werkende mensen in de periode 2005-2010.

Een veel groter probleem vormt de vervangingsvraag. Tot 2010 moeten naar schatting 70.000 voltijds werknemers in het onderwijs worden vervangen. Om dit in perspectief te plaatsen: het onderwijs telt nu ruim 300.000 arbeidsplaatsen.

Het lerarenbestand vergrijst en de komende jaren gaan veel leraren met pensioen. In het primair onderwijs is volgens het Centraal Bureau van de Statistiek eenderde van de leraren ouder dan vijftig jaar, in het voortgezet onderwijs 40 procent en in het hoger onderwijs ruim de helft. De vergrijzing zet hier veel harder door dan in andere sectoren, want van de hele beroepsbevolking is nu een kwart ouder dan vijftig jaar.

Wel zijn er grote regionale verschillen. In Limburg en Groningen is de vergrijzing in het onderwijs het grootst, maar in Almere bijvoorbeeld werken veel meer jonge leraren. De vergrijzing zegt ook niet altijd iets over de krapte op de arbeidsmarkt, want in Limburg bijvoorbeeld is tegelijkertijd een ‘ontgroening’ aan de gang. Als er minder leerlingen zijn, zijn er ook minder leraren nodig.

Het lerarentekort doet zich met name voor in het voortgezet onderwijs. Het ministerie van Onderwijs schat dat in deze sector in 2011 zo’n 6 procent van de banen onbezet zal blijven (primair onderwijs: 2 tot 3 procent). In het slechtste scenario zijn er dan in het voortgezet onderwijs 3.000 voltijds werkende leraren te weinig. „Dat lijkt mee te vallen”, zegt een woordvoerster, „maar voor sommige vakken zijn straks helemaal geen leraren meer te krijgen. Voor Duits, wiskunde en technische vakken bijvoorbeeld.”

Het ROA heeft cijfers die dit goed illustreren. Tot 2010 zijn er bijvoorbeeld 9.100 leraren ‘natuur en techniek’ nodig, terwijl er maar 3.900 schoolverlaters van deze studierichting zijn.

Jan-Willem Broeders, sectorconsulent bij het Rotterdamse schoolbestuur LMC, vertelt wat het lerarentekort voor gevolgen kan hebben. „Bij ons verdwijnen in sommige scholen vreemde talen als Frans en Duits uit het lesaanbod.” De vereisten voor deze vakken zijn zo specifiek dat ‘substitutie’ door werknemers met een andere opleiding onmogelijk is.

Jongeren die een roeping voelen om leraar te worden, zijn er nog maar weinig. Het imago van de beroepsgroep is stoffig, het werken met ‘mondige’ jongeren ligt niet iedereen, en het bedrijfsleven lonkt met leasewagens en bonussen, terwijl de doorgroei in salaris in het onderwijs snel stokt. Het beloningsverschil met de marktsector kan oplopen tot 20 procent, erkent ook het ministerie.

Toch slagen sommige scholen er wel in om jonge leraren aan te trekken. Ons Middelbaar Onderwijs (OMO), het grootste schoolbestuur in Nederland, bijvoorbeeld. Het project ‘Masterklas’, waar biologieleraar John van Heeswijk aan deelnam, is zonder meer een succes. Per jaar doen er 70 tot 80 oud-leerlingen aan mee, de meesten maken de opleiding af en blijven op een OMO-school werken.

„Ging het maar overal zo”, verzucht Martin Knoop, algemeen secretaris van de Algemene Onderwijsbond (AOb). De vakbond ziet met lede ogen aan dat veel scholen noodoplossingen kiezen. „Vroeger kreeg je, als er een leraar te weinig was, een tussenuur. Nu zien we dat leerlingen in hun rooster soms een hele dag vrij hebben. Of dat er onbevoegden voor de klas worden gezet.”

Het ministerie van Onderwijs erkent in de nota Werken in het onderwijs 2007 dat de kwaliteit van het onderwijs gevaar loopt. Er is sprake van meer ‘structurele lesuitval’, waardoor leerlingen minder lesuren krijgen dan de voorgeschreven 1.040 per jaar. „Als dit zo doorgaat, krijgen leerlingen straks 250 uur minder les”, zegt Martin Knoop van de AOb.

Hoe kan het lerarentekort worden opgelost?

Een panacee lijkt er niet te zijn. Hogere salarissen, meer loopbaanperspectief, leuker werk door kleinere klassen, zeggen de leraren en de vakbond. In het regeerakkoord wordt een geleidelijk tot 1 miljard euro in 2011 oplopend bedrag extra uitgetrokken voor onderwijs, onder andere om het lerarentekort te bestrijden. Welke maatregelen hiermee zullen worden genomen, staat er niet in.

Het tekort aan personeel is sinds 1970 niet zo groot geweest. Lees meer verhalen over de toenemende krapte op de arbeidsmarkt en discussieer mee op: www.nrc.nl/economie