Camera

Bewaking en beveiliging is booming business geworden. (Vier b’s in één zin, ik kon de verleiding niet weerstaan.) Ons leven bestaat steeds meer uit bewaken en bewaakt worden. Willen we ook graag bewaakt worden? Soms wel, soms niet. Doorgaans wordt het ons niet gevraagd – we merken het wel, mogen we hopen.

Er zijn situaties waarin je er begrip voor hebt. Op een wandeling door de Antwerpse diamantwijk, vlakbij het station, ook wel ‘de joodse buurt’ genoemd, zag ik op een normale vrijdagmiddag veel politie en particuliere veiligheidsmensen op de been. Tientallen camera’s registreerden elke beweging. De straten waren met slagbomen afgesloten.

Ik probeerde een kijkje te nemen in de joodse synagoge, die in de Hoveniersstraat staat ingeklemd tussen de diamantpaleizen. Het lukte niet, want de voordeur stond alleen maar open omdat een werkster de hal moest poetsen. Toen viel mijn oog op een plaquette naast de ingang met de tekst: „Op 20 oktober 1981 worden drie personen gedood en meer dan honderd gewond door de ontploffing van een bomauto die hier geparkeerd stond. Wij zullen steeds met ontroering terugdenken aan de slachtoffers van deze terreurdaad.”

Later zocht ik nadere bijzonderheden op. Het gebeurde om acht minuten over negen in de ochtend. Een bestelwagen zou 100 kilo springstof hebben bevat. Foto’s tonen een chaos van ingestorte puien en versplinterd glas. De paniek moet onbeschrijfelijk zijn geweest, daar komt een straat nooit meer helemaal overheen. Wat je nu in de Hoveniersstraat en omliggende straten ziet, is het vanzelfsprekende loon van de angst.

De dader zou via Zaventem ontkomen zijn. De aanslag is nooit opgeëist of opgehelderd. De PLO werd verdacht, maar ontkende met klem. De verdenking rustte op haar omdat enkele maanden eerder de vertegenwoordiger van de PLO in Brussel was vermoord.

Ik liep naar mijn hotel aan De Keyserlei, twee minuten verderop. Daar kreeg ik een kaartje waarmee ik niet alleen mijn kamerdeur, maar ook de lift moest ontgrendelen. Het leidde in de lift tot enkele geslaagde slapsticktaferelen. Want moet je eerst op de knop voor je etage drukken en dan pas de kaart in de bedoelde opening – waar is die trouwens? – duwen, of andersom? Maar daar schoot ik al naar boven, voorbij mijn etage, en terug omlaag, weer voorbij mijn etage. Zou ik de rest van mijn weekend in Antwerpen zó moeten doorbrengen? De liftkaart – het is een mooie uitvinding om hotelratten te weren, maar als hotelgast moet je de humor van je situatie kunnen waarderen.

De volgende dag keek ik nog eens goed rond in de lobby. Toen zag ik opeens dat bordje: ‘Er zijn overal videocamera’s aangebracht’. Wáár precies stond er niet bij. Niet op mijn kamer hopelijk, maar misschien wel op de uwe. Het hangt er ook vanaf of je er een beetje vreemd uitziet.

Ik moest denken aan die Afrikaan in de ontbijtzaal. Hij stond opeens midden tussen al die welvarende blanken aan het buffet. Een gitzwarte, oude man in een lang, wit gewaad. Hij ging onverstoorbaar in zijn eentje aan een tafel zitten en pakte zijn mobiele telefoon om luidkeels in een onverstaanbare taal een gesprek te voeren.

Wij keken door onze oogharen allemaal naar hem. De mens is de stiekemste camera.