Wie niet tegen eenzaamheid kan moet geen polemiek beginnen

Polemieken, zegt men, komen in Nederland nooit van de grond. Nederlanders zijn niet in staat een goede polemiek te waarderen. ’t Lijkt me eerder dat een polemiek hier pas goed mag heten als de polemist is begraven.

Gerrit Komrij

Schrijver, dichter en medewerker van NRC Handelsblad. Hij publiceerde een aantal bloemlezingen van Nederlandse poëzie, en veel van zijn verhalen en columns zijn gebundeld. Zijn meest recente boek is ‘Komrij's kakafonie’.

De aanstaande Boekenweek zal in het teken staan van „scherts, satire en ironie”. We zullen het weten, net als destijds met God en de Tweede Wereldoorlog. Op 24 maart, wanneer de Boekenweek ten einde is, zullen weinigen de woorden ‘scherts, satire en ironie’ nog willen horen. Scherts, satire en ironie zullen iedereen de strot uitkomen.

Scherts is mooi, maar je krijgt er snel genoeg van. Woutertje Pieterse, door Ivo de Wijs. De Gijsbrecht van Amstel, door Ivo de Wijs. De Bijbel, door Ivo de Wijs. De Koran, door Ivo de Wijs. ’t Zal en moet allemaal op elkaar lijken. Scherts als saus.

De Hollandse saus die als een deken over elk gerecht gaat liggen.

Satire en ironie zijn van een andere orde. Ze houden verband met een temperament, een houding. Satire kan bloederig zijn, ironie dodelijk.

Althans, dat hoopt de ironicus.

Als literatuur echt kon doden, zouden de goeie zinnen per opbod worden verkocht.

Ergens in de laatstgenoemde familie, zo voel je, hoort ook de polemiek thuis.

Er moet nu eenmaal scherts zijn, want het publiek leest mee. Het publiek beschouwt ook polemiek als een vermakelijkheid en dwingt de schrijver bij elke gelegenheid tot een grapje en een kwinkslag. Maar de echte polemist is nooit een gelegenheidspolemist. Polemiek ligt in de aard van het beestje en het beestje kan zijn aard niet onderdrukken.

Zijn broeder satiricus beschouwt alles van een afstand. Zelfs een brandstapel, een slagveld of zijn slapende geliefde beziet hij met een satirisch oog. Hij zal de geliefde niet wakker maken.

’t Zou de polemicus een gruwel zijn. De polemicus roept ‘Brand!’ en port met een gloeiende pook tussen de lakens.

Polemiek veronderstelt een tegenstander, die alsnog tot een horizontale toestand moet worden gedwongen.

De tegenstander moet zich in hem vastbijten, al is z’n zaak nog zo hopeloos.

Hoe meer de tegenstander naar lucht hapt, hoe meer scherts, satire en humor de polemist zich kan veroorloven. Al gaat de polemiek over een doodernstige kwestie – ik noem oorlog en verraad, ik noem windhandel en verduistering – de goede polemist houdt het absurde en nonsensicale in de gaten. Hij kiest de wapens die op dat-en-dat moment het grootste effect scoren en hij is zeker uit op het applaus van het publiek.

Hij weet dat hij toneelspeelt.

’t Schouwspel wordt pas boeiend als de tegenstander geen benul heeft van toneel. Zo’n tegenstander meent dan oprecht dat hij gelijk heeft, aan de winnende hand is, de waarheid dient, het fatsoenlijke deel van het publiek een gunst bewijst, en zo voorts. Hij spartelt en gaat ten onder.

Een béétje spartelen moet hij eerst wel. Vervolgens heeft hij niet door, of te laat, dat hij ten onder gaat – want hij is geen toneelspeler. Een toneelspeler speelt zijn rol en tegelijkertijd kijkt hij naar de rol die hij speelt. Een toneelspeler weet dat hij de baas is.

Ideale tegenstanders zijn nog schaarser dan ideale polemisten.

Een duel moet, althans in het begin, ergens op lijken. De aandacht van het publiek moet worden gewekt. Van het juiste publiek liefst. Het juiste publiek is het publiek dat zo lang mogelijk de adem inhoudt, ook al is de zaak tussen A en B al hoog en droog beslecht. Als het publiek allang weet dat A gaat winnen behoort het dat feit niet te verklappen aan B.

Een klassieke polemiek kent maar één publiek en dat is het publiek dat aan de kant van de winnaar staat.

De tegenstander houdt nog een tijd een armzalig stelletje neven en nichten als steun en applausmachine over, een verdwaalde collega aan wie hij geld schuldig is, en uiteindelijk alleen zijn moeder.

De positie van de moeder in de polemiek is crucialer dan men denkt.

Moederlijke gevoelens drijven ook de toekomstige winnaar van het steekspel. Waarom begint iemand aan een polemiek? Je begint eraan omdat je de tegenstander wilt opvoeden tot een mens dat zich in de toekomst zelf zal kunnen redden. Je begint eraan omdat je in je hart een zacht plekje hebt voor het arme schaap. Het schaap heeft de moedermelk van je wijsheid nodig.

De inzet is goed, wou ik maar zeggen. Het is de bedoeling dat het zo snel mogelijk ontspoort.

De beste polemist van het duo is hij die het beste doet alsof hij er in blijft geloven. Met de nadruk op doet alsof en niet op geloven.

De gedoodverfde winnaar dient minder aan zijn gelijk te hangen dan degene die ongelijk heeft. Wat niet zo moeilijk is als je toch al gelijk had.

Hoe heiliger de tegenstander zich aan zijn argumenten vastklampt hoe mooier. We worden dan getuige van toneel tegen heiligheid, spel tegen paniek, jennen tegen fanatisme, net zolang tot de ander, al of niet in stilte, om zijn moeder schreeuwt.

De polemist speelt de rol van fanaticus om fanatisme bloot te leggen.

Omdat hij speelt, blijft hij altijd een stap voor. Hij dicteert de ander zijn stappen. Een geslaagde polemiek is welbeschouwd al na de eerste stap voorspelbaar. Wie geen gelijk heeft moet er niet aan beginnen.

Dat gelijk moet niet onmiddellijk voor alle partijen duidelijk zijn. Het is genoeg dat je instinct je influistert dat je gelijk hebt. Of je beschikt, als het even kan, over informatie waarover de tegenstander niet beschikt.

Polemiek is geen zoeken naar waarheid. Tijdens een polemiek wordt iemand die al of niet bewust liegt, met zijn neus op de waarheid geduwd, tot uitzinnig vermaak van het publiek.

Het is de bedoeling dat de ander zijn ongelijk zo vertraagd mogelijk in de gaten krijgt of dat hij in zo’n positie wordt gemanoeuvreerd dat hij zijn ongelijk met goed fatsoen niet meer kan toegeven.

Is de waarheid van belang? Een polemist kan zich nog zo verbeelden een waarheidszoeker te zijn of een verdediger van het algemeen belang of iemand die uit één en al rechtvaardigheidsgevoel is opgetrokken, uiteindelijk heeft degene gelijk die het beste schrijft. Tenminste zolang de polemiek duurt.

Voor een polemiek heb je dus een tegenstander nodig, je hebt een publiek nodig dat boe! en hoera! roept en je hebt een kwestie nodig. De kwestie lijkt op het eerste gezicht het belangrijkst en het is de polemist geraden al polemiserend het belang van de kwestie voorop te blijven stellen, maar achteraf blijkt juist de kwestie het snelst vergeten. Het gelijk blijft.

Polemiek streeft niet naar waarheid, polemiek streeft naar gelijk.

Sommigen zouden liever zien dat waarheid en gelijk onveranderlijk samenvallen.

Vrede zij met zulke onnozele halzen.

Als de aandacht van het publiek voor een polemiek begint te verslappen, komt dat niet omdat de aanvaller te vasthoudend is, maar omdat het slachtoffer weigert te gaan liggen. Ik herinner me dat ik, toen W.F. Hermans nog middenin zijn fameuze Weinreb-polemieken zat, alom in de redactielokalen en cafés hoorde fluisteren: „Hij begint nu wel te zeuren” en: „Volg jij dat nog?” Gaap-gaap. Ik zie het gaapgebaar nog voor me. De fluisteraars zullen het nu willen ontkennen, maar het was wel zo.

Wie niet tegen eenzaamheid kan moet geen polemiek beginnen.

Polemieken, zegt men, komen in Nederland nooit van de grond. Nederlanders zijn niet in staat een goede polemiek te waarderen. ’t Lijkt me eerder dat een polemiek hier pas goed mag heten als de polemist is begraven.

’t Oude deuntje dat je niet op de man maar op de bal moet spelen, is nog altijd springlevend. We zweren bij leedvermaak en roddelen dat het een aard heeft, zolang het maar over anderen gaat. Als we zelf aan de beurt komen, treedt onmiddellijk het deuntje in werking.

Dan dient er een grens te worden getrokken. Een grens die exact langs onze voordeur loopt.

Ik zag pas nog de nieuwe Kamervoorzitter op het scherm. Een oud-schoolmeesteres, werd ons verteld. Ze was bezig in te grijpen. Was er een Kamerlid in slaap gesukkeld? Nee, ze greep in omdat zeker lid zei dat een ander lid geen ruggengraat had.

Als ‘geen ruggengraat’ al over de schreef gaat, kan het hele parlement beter meteen gaan slapen.

De grenzen in ons land worden getrokken door cipiers en schooljuffrouwen.

Polemiek is uit de gratie.

De nieuwe braafheid en die traditionele angst voor kritiek zijn niet bevorderlijk voor het debat. En onoverkomelijk voor de polemiek. Daarbij komt het feit, meermalen geconstateerd en zelden betreurd, dat in Nederland de discussies nooit over belangrijke zaken gaan en meteen ontaarden in gekissebis over details. De ‘bal’ waarop moet worden gespeeld is nu eens te blauw, dan weer te rood. Nu eens met te veel strepen, dan weer met een te lange staart.

In de polemiek is het detail alles, maar het detail in de polemiek is nooit een afleidingsmanoeuvre.

Het lijkt of er in jaren geen heuse polemiek meer heeft gewoed. Heeft de doodsklok geluid voor de polemiek?

Niet dat er geen kwesties van belang zouden zijn. Alleen al dat in de literaire wereld een wederopstanding plaatshad van de halfzachtheid zou een lekkernij moeten zijn voor de polemist. We hebben een nieuw mandarijnschap zien komen. We hebben een nieuw obscurantisme zien komen. We hebben een nieuwe navelstaarderij zien komen.

Maar als iemand een polemisch geluid laat horen, volgt er stilte.

Er flakkeren genoeg schermutselingen op en ruzietjes, bestaande uit een aanval en een verdediging, waarna punt uit.

De een zegt Woef. De ander zegt Woef. En dat is dat.

Grote monden zijn er in overvloed en er heerst veel gelijk. Gelijk hebben is populair en zelfs degenen met het grootste ongelijk van de wereld hebben recht op gelijk. Als alles waar kan zijn, is de impact van je gelijk gering. Gelijk is een huishoudartikel. Het gelijk ligt op straat.

Het gelijk van de straat is niet het gelijk van de literatuur.

Het spel heeft plaatsgemaakt voor een vage god die ze authenticiteit noemen, de redenering voor de emotie, fijnzinnig fileren voor een rondje vrij schelden. Een maatschappelijk bad waarin polemiek niet kan zwemmen.

Welke recente ontwikkelingen constateren de helderzienden verder? Een ongeremde behoefte aan afwisseling. Een aandachtsboog, korter dan ooit. Alles hoogst onbevorderlijk voor de polemiek.

Er wordt, wat wil je, ook vooruitgang geboekt. Het vermogen om correct te spellen mag dan achteruit zijn gegaan, het taalgebruik zeker niet. Op veel meer plaatsen zijn veel meer mensen gekomen die levendig en leesbaar kunnen schrijven. Het vloekt, tintelt, bijt en scheldt waar het voorheen saaiheid en braafheid troef was.

Maar ook dat pakt ongunstig uit voor de polemiek als literair genre. De schrijver is zijn monopolie kwijt.