Veel baby’s die niet op hun buik liggen, krijgen scheef hoofd

Een zogeheten redressiehelm, waarmee de scheve schedel van pasgeborenen weer in de juiste vorm kan worden teruggedwongen. In een Brabantse studie had een op de vijf pasgeborenen een ernstig vervormd hoofdje.

Eén op de vijf baby’s die in 2005 in het Ziekenhuis Bernhoven in Veghel geboren werden, had na zeven weken een ernstig vervormd hoofdje (Pediatrics, online, 5 februari). Soms is die vervorming, waarbij de schedel aan de linker- of rechterkant afplat, zo erg dat die zelfs met een speciale ‘redressiehelm’ behandeld wordt. De belangrijkste risicofactor bleek dat ouders hun kind te weinig op de buik lieten spelen en steeds in dezelfde houding voedden.

Kinderfysiotherapeut Leo van Vlimmeren van Ziekenhuis Bernhoven heeft in samenwerking met het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis bij 380 gezonde baby’s vlak na de geboorte de vervorming van het hoofdje gemeten en na zeven weken nog eens.

Bij de geboorte hadden 23 van de kinderen een ernstig afgeplat hoofdje en in de zevende week waren het er veel meer: 75. Het ging daarbij bijna twee keer zo vaak om jongetjes dan om meisjes. De vervorming vlak na de geboorte verdween vaak weer. Slechts 9 van de 23 baby’s die met een scheef schedeltje geboren waren, hadden dat met zeven weken nog steeds.

Om de schedelvervorming zo objectief mogelijk te bepalen gebruikte Van Vlimmeren een door hem zelf ontwikkelde meetmethode met een strip thermoplastisch (door warmte vervormend) materiaal. Daarmee kunnen niet alleen precies de afmetingen van de schedel worden vastgelegd, maar ook de plaats van de oren en de neus. Tegelijk lette Van Vlimmeren op een eventuele voorkeurshouding van het kind en testte hij de motorische ontwikkeling.

Na zeven weken constateerde de fysiotherapeut dat 68 baby’s een duidelijke voorkeur hadden om hun hoofdje naar links of rechts de draaien. Onder die baby’s kwam ook relatief vaak een duidelijk afgeplatte schedel voor: tweederde van de drie kinderen bij wie Van Vlimmeren een voorkeurshouding zag, had zo’n vervorming. Baby’s bleken vooral een afgeplat hoofdje te hebben als ze steeds in dezelfde houding op de aankleedcommode lagen, en als ze in steeds dezelfde arm van de moeder of vader flesvoeding kregen.

Een afgeplat hoofdje kwam juist mínder voor als ouders hun kind drie keer of vaker per dag op de buik lieten spelen. Ook bij borstvoeding (waarbij het kind steeds van houding wisselt) was de kans op schedelvervorming kleiner dan bij flesvoeding. De tegenwoordig alom geadviseerde rugligging ’s nachts bleek op zichzelf de kans op een afgeplat hoofdje niet duidelijk te verhogen. Het ging vooral om de combinatie met óók overdag op de rug liggen én steeds dezelfde houding bij voeden en op de commode.

Jonge ouders moeten zich aanwennen in zoveel mogelijk verschillende posities te voeden. Ook heeft het de voorkeur om de commode zo op te stellen dat de baby nu eens in de ene, en dan in de andere positie kan worden verzorgd. Ook moeten ze het advies om het kind op de rug te slapen te leggen niet zo ver doorvoeren dat ze het kind ook overdag nooit op de buik leggen. Bart Meijer van Putten