‘Samen blussen’ hoort er ook bij

Enschede, Volendam, Schiphol, Hercules. Bij alle grote binnenlandse rampen van de afgelopen jaren vielen achteraf ernstige tekortkomingen bij de brandweer te signaleren. Communicatieblunders, onbekendheid met het terrein, met de locatie van bluswaterpunten, met de toegang tot terrein of gebouwen of te lange aanrijtijden. En steeds waren er Kamervragen, onderzoeksrapporten en beloften tot beterschap. Deze week volgde een landelijk inspectierapport met wederom een dramatisch resultaat. De uitruktijden zijn bij het bestuur niet bekend, en als ze dat wel zijn, veel te lang. De gemeenteraden doen hun controlerende werk niet. De veiligheid van de burger is dus in het geding: de brandweer hoort binnen acht minuten bij de brand te staan, maar een kwartier of langer is vaak praktijk. En kennelijk is er geen uitzicht op verbetering.

De analyse in de afgelopen decennia was eensluidend: schaalgrootte en slagkracht van de brandweer schieten te kort. Pogingen van het Rijk om de brandweer te professionaliseren kwamen begin jaren zeventig op gang. Ook toen was er eerst een ramp: de ontploffing van het DSM-complex in Zuid-Limburg. Sindsdien tracht het Rijk samenwerking op gang te brengen en de gemeentekorpsen om te smeden tot regionale rampenbestrijders. Met een moedeloos stemmend resultaat, waarin veel falen en feilen van het openbare bestuur in Nederland samen komen. De burgemeester bewaakt z’n bevoegdheden uit alle macht, de raad kijkt de andere kant uit en de minister bidt, smeekt en legt het af tegen de locale bestuurderslobby.

De vergelijking met het politiebestel dringt zich op. Ook daar konden plaatselijke bestuurders lang hun eigen territorium verdedigen. De moeizaam bereikte samenvoeging van rijks- en gemeentepolitie en de reorganisatie in 25 regiokorpsen uit 1993 blijken inmiddels alweer tekort te schieten. Bij de brandweer is zelfs die regiovorming niet echt van de grond gekomen. Behalve in en rond de grote steden is de brandweercultuur er nog steeds één van vrijwilligers, schoorsteenbranden en ‘gauw van je werk naar de kazerne hollen’. Er zijn ongeveer 3.800 beroepsbrandweerlieden tegen 28.000 vrijwilligers. Dergelijke betrokkenheid bij de lokale gemeenschap is te prijzen, zolang het samengaat met inzicht in de beperkingen van kleinschaligheid. Dat blijkt niet het geval. Bij veel kleinere korpsen ontbreekt deskundigheid en capaciteit om de steeds ingewikkelder incidenten het hoofd te bieden. Gebouwen worden hoger, verkeer en bebouwing nemen toe, technologie wordt ingewikkelder. Er kwam terreurdreiging bij. De 24-uurs economie in een kwetsbaar distributieland vraagt om meer dan een man met laarzen en een waterslang. Samen redvoertuigen aanschaffen en ‘gaspakkenteams’ instellen is onontkoombaar.

Het valt in demissionair minister Remkes (Binnenlandse zaken) te prijzen dat hij vorig jaar doorzette en de veiligheidsregio’s per wetsvoorstel wilde afdwingen. Daarmee riskeerde hij de toorn van de burgemeesterslobby en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. En die bleken deze week sterker. In het regeerakkoord zijn alle (bescheiden) pogingen om het openbaar bestuur te hervormen stopgezet of uitgesteld. De nieuwe politiewet, die meer landelijke regie mogelijk maakt, is uitgesteld. De beperking van het aantal gemeenteraadsleden is ongedaan gemaakt. Daarmee is een investering geschrapt in de kwaliteit van de raad, die kleiner, beter betaald en deskundiger zou kunnen (en moeten) worden. Bijvoorbeeld om de brandweer te controleren. Met veiligheidregio’s wil dit kabinet doorgaan, maar „er komt geen wettelijke verplichting voor lokale korpsen om zich te regionaliseren”. Daarmee zijn de korpsen terug onder de vleugels van burgemeester en gemeenteraad. En daar heeft ‘samen blussen’ de afgelopen dertig jaar niet hoog op de agenda gestaan. Dat moet veranderen. Brand gaat om leven of dood.