Puberbrein (1)

Nu we het determinisme van de genen eindelijk achter ons hebben gelaten, zijn het de hersenen die ons dwingend voorschrijven hoeveel verandering een mens aan kan. Jelle Jolles, hoogleraar in het trendy vak Neuropsychologie en Biologische Psychologie in Maastricht, pretendeert op basis van `harde feitenkennis` te kunnen vertellen hoe we het onderwijs aan pubers moeten (her)inrichten (W&O, 27 januari). Je moet maar durven. Want dit is geen wetenschap, dit is ideologie. Jolles is gewoon een conservatief die ons wijs wil maken dat je uit hersenonderzoek kunt afleiden dat `het brein van pubers nog niet rijp (is) om in al te grote vrijheid te leren.` Dat het brein in de puberteit nog niet uitgerijpt is, wil ik wel geloven, maar dat `in al te grote vrijheid` verzint hij er gewoon bij omdat het hem in zijn ideologische kraam te pas komt. En natuurlijk is iedereen die terug wil naar het onderwijs van de jaren vijftig maar wat blij met dit soort hooggeleerde heren, die hun ideeën opdienen met een quasiwetenschappelijk sausje.

De hersenwetenschap wordt als het om menselijk gedrag gaat vooralsnog meer bepaald door wilde interpretaties dan door harde feiten. En hoewel de W&O-redactie steeds weer haar stinkende best doet om ons te doordringen van de invloed van hersenonderzoek op de psychologie en de psychiatrie zou ik de lezer op het hart willen drukken: trap er niet in. Het zijn luchtkastelen (`prachtige, op niets berustende toekomstbeelden die men zich voorspiegelt` zegt de Dikke Van Dale).