Pensioenpret

hanna van solinge – changing tracks. studies on life after early retirement in the netherlands – universiteit utrecht, 12 oktober 2006, 155 blz. promotor: prof. dr. f. tazelaar, copromotor dr.c.j.i.m. henkens

Zoals het er nu naar uitziet, zal het nieuwe regeerakkoord op een heel ingewikkelde manier goedverdienende mensen proberen af te houden van vervroegde pensionering. Wie immers voor zijn of haar 65-ste weg wil en ook een goed pensioen heeft, zal een paar jaar later bij de eerste overschrijving van de AOW ook meteen een extra aanslag van de fiscus krijgen. Het zal per persoon niet om veel geld gaan en ongetwijfeld zullen onverwacht veel mensen weten aan te tonen dat ze ‘eigenlijk’ nooit vervroegd met pensioen gegaan zijn, maar het theater is er niet minder om. Het gekke is dat er meteen met scherp geschoten wordt als je maar naar de AOW wijst, maar dat je nooit iemand hoort over de fiscale begunstiging van alle 65-plussers in de eerste schijf. Zij hoeven immers geen premies voor de sociale zekerheid meer te betalen.

Het proefschrift van Hanna van Solinge gaat over het vervroegde pensioen in een tijd dat het juist goed werd gevonden dat mensen al voor hun 65-ste de arbeidsmarkt verlieten. Mijn vader behoorde in 1975 tot de eerste lichting die gevraagd werd om plaats te maken voor jongere vakgenoten, die anders in nog geen jaren aan de bak zouden komen. Nu er bijna geen goed opgeleide werkloze jongeren meer zijn en des te meer even goed opgeleide jonggepensioneerden komt vroeg weg gaan ons in alle opzichten te duur uit. In veel sectoren – zeker in het onderwijs en aan de universiteit, maar ook in het bedrijfsleven – dreigt de komende jaren een ernstig tekort aan personeel te ontstaan, terwijl tegelijkertijd de kosten van het vervroegde pensioen van nu bijna onmisbare krachten hoog op gaan lopen.

Onbedoeld laat de door Hanna van Solinge onderzochte groep al zien wat het echte probleem is. Haar onderzoeksgroep bestaat uit bijna 800 mensen die in 1995 minstens 55 jaar oud waren en toen nog allemaal aan het werk waren. Toen de groep in 2001 opnieuw benaderd werd, werkten er nog maar 4. Gemiddeld was men toen al bijna vier jaar met pensioen, niet meer dan 20 mensen waren al 65 jaar toen ze met pensioen gingen. We zijn nu zes jaar verder en vrijwel de hele groep, nu gemiddeld tien jaar gepensioneerd, kan nog steeds tot de jongbejaarden gerekend worden. Statistisch mogen ze verwachten nog ongeveer tien tot vijftien jaar te zullen leven.

Dat is mooi en ze vinden het zelf ook fantastisch. Hanna van Solinge is nagegaan hoe het met deze groep van 800 werknemers van grote bedrijven na hun pensioen is gegaan. Ze sleept karrevrachten onderzoeksliteratuur aan waaruit blijkt dat met pensioen gaan niet eenvoudig is en verwerkt moet worden. Je leven verandert, het geld wordt minder, je verliest aan status, je bent de hele dag samen met je partner, je gezondheid wordt minder, je voelt je misschien weggestuurd en afgedankt. Het komt inderdaad allemaal voor, maar op grond van de uitkomsten van haar onderzoek zou het eerlijker zijn om te zeggen dat het juist bijna niet voor komt. Na alle bezorgde beschouwingen schiet je bijna in de lach als je leest dat zowat de helft van de onderzoeksgroep al binnen een maand helemaal gewend is aan de nieuwe situatie en geen problemen heeft met de aanpassing. ‘Niet meer werken’ bevalt 86% ook na jaren nog heel erg goed. Voor de partners geldt dat nog eens te meer. Aanpassingsproblemen in het begin worden maar door een op de zeven pensionado’s en een op de zeventien partners gesignaleerd.

In de Amerikaanse literatuur wordt vaak melding gemaakt van zorgen over de gezondheid en het geld. Daar is in Nederland weinig van te merken. De pensioenen zijn hier ook op lange termijn gemiddeld beter geregeld dan in de Verenigde Staten, ook wat betreft hun koopkracht, en de gezondheidszorg blijft ook voor iedere oudere altijd beschikbaar. Opmerkelijk genoeg gaat tijdens de eerste pensioenjaren ook de gezondheid zelf vooruit. Niet bij iedereen natuurlijk, maar ondanks het vorderen van de leeftijd zijn er minder mensen die aangeven dat hun gezondheid achteruit is gegaan dan gelukkig gepensioneerden die zich juist veel beter zijn gaan voelen. Dat is niet omdat ze bevrijd zijn van zwaar werk of een overmaat aan stress. Wel blijkt er een relatie te zijn tussen problemen met de gezondheid en een pensionering die niet echt vrijwillig en op eigen initiatief is geweest. In het hele onderzoek komt dat steeds weer terug als een beslissend criterium voor de verwerking en aanvaarding van het gepensioneerd zijn. Wie zelf de keuze heeft kunnen maken – en dat gold voor de meerderheid van de onderzoeksgroep – is er ook het beste aan toe.

Onvrijwillig met pensioen moeten is niet simpelweg een kwestie van weggestuurd worden, bijvoorbeeld omdat je baan overbodig is geworden, het bedrijf moet inkrimpen of de gezondheid ernstig te wensen overlaat. Vervroegd met pensioen gaan was in 1995 nog de norm (‘hoe lang moet jij nog?’) , maar al te jong weggaan deed anderen toch de wenkbrauwen fronsen.

Eerder met pensioen gaan dan de partner (die in 1995 meestal zelf niet buitenshuis werkte) prettig vindt, is ook niet bevorderlijk voor een goede start van de derde levensfase. Hanna van Solinge ziet de besluitvorming over het moment van pensionering en de voorbereiding op het pensioen ook heel terecht als een zaak van gezamenlijk overleg van een echtpaar. In haar onderzoek gaat het om de overgang van werk naar pensioen als een in belangrijke mate sociaal georganiseerd proces. Op macroniveau geregeld in de afspraken tussen werkgevers en werknemers, op mesoniveau vormgegeven in de bedrijven en op microniveau een zaak van de direct betrokkenen met hun collega’s en familieleden. Wat is goed en wanneer is het goed? Vragen die nu anders beantwoord worden dan in 1995 of 2001. Het komende kabinet zal het antwoord opnieuw veranderen.