Nieuw peil

De huidige zeespiegelstijging gaat met een snelheid van drie millimeter per jaar. Het IPCC stelde de verwachte zeespiegelstijging naar beneden bij. Karel Knip

Het belangrijkste dat de VN-organisatie voor klimaatverandering IPCC vorige week in Parijs had mee te delen was: dat de opwarming van de klimaatsystemen nu ‘onmiskenbaar’ (unequivocal) was. En dat er ‘zeer waarschijnlijk’ (very likely) een menselijke invloed is op de opwarming van de afgelopen halve eeuw. De kneep zat hem in ‘unequivocal’ en ‘very likely’.

Verontrustend is dat er nauwelijks zicht is op een afremming van de uitstoot aan CO2 en andere broeikasgassen en dat het IPCC niets afdoet van eerdere schattingen van de temperatuurstijging voor deze eeuw. Die kan, met marges van 1,1 tot 6,4 °C, makkelijk een graad of drie worden. Dat is ongekend veel: in de warme middeleeuwen (met landbouw in Groenland) lag de mondiaal gemiddelde temperatuur nog niet één graad hoger dan in de beruchte Kleine IJstijd, toen hier de grote rivieren geregeld dichtvroren.

ijsvrij

De Noordelijke IJszee is misschien over een halve eeuw ’s zomers ijsvrij is en het is zelfs ‘zeer waarschijnlijk’ dat de oceaanstromingen van de Atlantische Oceaan, waarvan de warme Golfstroom deel uitmaakt, in de loop van deze eeuw fors gaan afzwakken. Gemiddeld met zo'n 25 procent, zeggen de klimaatmodellen. Toch zal dat de voortgaande opwarming van West Europa niet kunnen voorkomen.

Verscholen tussen het slechte nieuws zat ook een geruststellende mededeling: voorlopig valt er van de zeespiegelstijging niet zo veel te vrezen. Voor de derde maal in successie heeft het IPCC zijn verwachting voor de mondiale zeespiegelrijzing tussen 1990 en 2100 naar beneden bijgesteld. Zie het grafiekje. In 1990 werd nog rekening gehouden met een stijging van gemiddeld 66 cm uit het nieuwe, vierde, rapport vallen marges van 18 en 59 cm af te leiden, met een centrale waarde van ongeveer 38,5 cm. Echt vergelijkbaar zijn de getallen niet, omdat niet alleen de toegepaste oceaan/atmosfeer klimaatmodellen zijn verbeterd, maar ook de emissie-scenario’s die als input dienen. Het eerste klimaatrapport werkte met maar één scenario (‘business as usual’), gaandeweg zijn steeds meer scenario’s en klimaatmodellen ingezet. De hoogste zeespiegelrijzing wordt natuurlijk voor het ongunstigste scenario verwacht, in de laatste twee rapporten is dat A1FI, een scenario met sterke economische groei die zwaar steunt op fossiele brandstoffen, ongehinderd door Kyoto-beleid. De marges van dit realistische scenario zijn 26 en 59 cm, met een middenwaarde van 43 cm. Omdat er al 16 jaar voorbij zijn van het interval 1990 tot 2100 is voor de rest van deze eeuw nog maar 38 cm stijging te verwachten.

Maar de samenvatting van het klimaatrapport maakt een voorbehoud: het is niet goed bekend wat Groenland en Antarctica gaan doen. De ontwikkelingen op de grote ijskappen zijn zowel moeilijk te voorspellen als te observeren. Opwarming kan er ook tot extra ijsafzetting leiden als steeds meer sneeuw gaat vallen. Wat er werkelijk gebeurt kon tot voor kort alleen worden afgeleid uit hoogtemetingen vanuit vliegtuigen en satellieten. De variërende uitkomsten daarvan leken versnelde ijsafvoer aan te tonen. Sinds twee jaar zijn er de uitkomsten van metingen aan het zwaartekrachtveld door twee in tandem vliegende satellieten (het GRACE-experiment). Die wijzen ook op recent ijsverlies. Het IPCC, dat al een bescheiden ijsverlies in rekening brengt, houdt er rekening mee dat de geraamde zeespiegelstijging door extra verlies nog met 10 tot 20 cm kan toenemen.

Het lijkt er bovendien op dat de gestage zeespiegelrijzing van de afgelopen eeuw opeens in een versnelling is geraakt. Voor de twintigste eeuw lag hij zo tussen de 1,5 à 2,0 mm per jaar, de laatste jaren ligt hij rond de 3 mm per jaar. Het is nog onbekend of dit een trend is, tijdelijke versnellingen hebben zich vaker voorgedaan.

Technisch gesproken is het probleem dat de stijgsnelheid voor de twintigste eeuw alleen kan worden afgeleid uit de verzamelde waarnemingen van alle peilschalen op aarde. Dat is een heidens karwei omdat in veel gevallen ook moet worden gecorrigeerd voor een lokale bodemdaling of -stijging en er in de waarnemingsreeksen vreemde langjarige schommelingen voorkomen. Nog steeds gaapt er een gat tussen de uit de peilingen geschatte hoge stijgsnelheid en de bescheiden waarde die op grond van gletsjerverkorting en water-uitzetting voor mogelijk wordt gehouden. Het ontbrekende deel zou kunnen komen van een versnelde afvoer van regenwater uit ge-urbaniseerde gebieden. Het IPCC zwijgt erover.

In Science(26 oktober 2001) suggereerde Cecile Cabanes dat de peilschalen de werkelijke zeestijging overschatten omdat ze – toevallig – zijn geconcentreerd op plaatsen waar het oceaanwater relatief veel opwarmt en uitzet. Door Sidney Levitus is uitgerekend waar en hoeveel het oceaanwater opwarmde en zijn bevindingen (Science, 24 maart 2000) stemmen goed overeen met de plaatsen waar de Topex-Poseidon satelliet sinds 1992 ook de hoogste niveaustijging waarnam.

gezag

Aan de metingen van die satelliet, en van zijn opvolger de Jason-1, wordt de laatste jaren het meeste gezag toegekend omdat de niveaumetingen zijn gerelateerd aan het middelpunt van de aarde en omdat de observaties een mondiale dekking hebben. Na uitputtende calibratie staat het oordeel onwrikbaar vast: de huidige stijgsnelheid ligt rond 3 mm per jaar. Het is daarom een raadsel waarom de Delftse geoloog Salomon Kroonenberg in het weekblad Opinio van 26 januari noteerde: “Volgens gegevens van de Topex-Poseidon satelliet is het zeeniveau sinds 1993 juist tien centimeter gezakt. Peilgegevens sinds 1978 laten ook geen verhoogde zeespiegel zien, ...enz..” Inmiddels heeft Kroonenberg afstand genomen van zijn notitie: ‘Dat was kennelijk te lichtvaardig’.

Volgens het KNMI moet Nederland met een sterkere zeestijging rekening houden dan het IPCC als wereldgemiddelde opgeeft, men geeft een bandbreedte van 35 tot 85 cm op. Dat is ruwweg 25 cm extra. Zekerheidshalve heeft het KNMI al wèl rekening gehouden met extra ijsverlies uit de ijskappen (dus 10 à 20 cm) en verder is een regionaal effect berekend dat een gevolg is van de verwachte afzwakking van de warme Golfstroom. Ten dele is dat een dynamisch effect, vergelijkbaar met lokale niveauveranderingen in een kopje thee waarin krachtig wordt geroerd.