‘Niet elke student haalt hoogste niveau’

De nieuwe voorzitter van de universiteitenvereniging VSNU wil dat de universiteiten, en liefst ook de hogescholen, samenwerken om één topmerk te worden. „Iedere student op de juiste plek.”

Studenten tijdens een college Europese Studies op de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sijbolt Noorda wil dat universiteiten beter gaan samenwerken. Foto Maarten van Haaff grote opkomst bij een college Europese Studies, Universiteit van Amsterdam, 6 sept 2006, foto Maarten van Haaff Haaff, Maarten van

De Nederlandse universiteiten moeten als collectief gaan optreden om een internationale reputatie te vestigen. Onder de werktitel ‘Dutch education system’ moet het hoger onderwijs zich ontwikkelen tot één merk, met het Californische systeem van hoger onderwijs als voorbeeld.

Het zijn de ambities van Sijbolt Noorda, de nieuwe voorzitter van universiteitenvereniging VSNU. Hij constateert dat de Nederlandse universiteiten een slecht imago hebben, waardoor ze onder meer getalenteerde onderzoekers en studenten uit het buitenland mislopen. „Slechts een stuk of vijf universiteiten ter wereld hebben in hun eentje genoeg reputatie om toptalent aan zich te binden. Het is een illusie dat één Nederlandse universiteit zo’n sterk merk kan zijn.” De samenwerking dient volgens Noorda nog een ander doel: alleen op deze manier kan de door de politiek geuite wens worden bereikt dat vijftig procent van de bevolking hogeropgeleid moet zijn.

De vergelijking met Californië is niet toevallig gekozen. In Californië is het gehele hoger onderwijs ondergebracht in een drielagensysteem. Dat bestaat uit de tien topcampussen van de University of California – waaronder wereldberoemde als Berkeley en UCLA –, 23 campussen van de wat minder hoog ingeschaalde California State University en 109 campussen van de California Community Colleges. Hun gezamenlijke doel, legt Noorda uit, is dat iedere student op zijn of haar ideale niveau terechtkomt. „En dat lukt goed. De uitval is laag en de doorstroom goed. Een op de vijf studenten van het laagste niveau belandt uiteindelijk zelfs op een van de tien campussen van de University of California.” Het streven is dat een op de acht studenten op het hoogste niveau zit, een kwart op het middelste niveau en de rest op een Community College – vergelijkbaar met een tweejarige opleiding in het hoger beroepsonderwijs.

Het Californische model kan als voorbeeld dienen, maar dat betekent volgens Noorda niet dat er „een nieuwe bestuurslaag” bij moet komen. „Individuele universiteiten moeten vooral hun eigen profiel behouden.” Maar de verdeling van de instroom, zegt Noorda, zou er in Nederland hetzelfde uit moeten zien.

Differentiatie is daarbij het toverwoord. De veertien Nederlandse universiteiten zijn dan de onderzoeksuniversiteiten, de hogescholen fungeren als middelste laag en tweejarige hbo-opleidingen de onderste. Noorda: „Vijftig procent hogeropgeleiden betekent niet dat de lat lager moet. We moeten de uitval verminderen door iedereen naar capaciteit te onderwijzen en begeleiden, en stevige pakketten bieden voor de ambitieuze student.”

Idealiter zouden volgens Noorda niet alleen de universiteiten, maar ook de hogescholen verschillende niveaus moeten aanbieden. „Als voorzitter van de VSNU heb ik daar niets over te zeggen, dat weet ik. Maar om dit plan helemaal af te maken zouden er bijvoorbeeld verschillende onderwijsprogramma’s moeten komen voor studenten die enerzijds van het vwo en anderzijds van het mbo afkomstig zijn.”

Bovendien bepleit Noorda aparte instellingen voor tweejarige hbo-opleidingen. Dit studiejaar zijn de eerste hogescholen al begonnen met tweejarige studies, die recht geven op het diploma ‘associate degree’.

Om ervoor te zorgen dat iedere student op de juiste plek in dit onderwijssysteem terechtkomt, moeten universiteiten hun eerstejaarsstudenten volgens Noorda al na een half jaar sorteren. De ene student, zegt Noorda, weet dan dat hij graag alles zelf doet. „De ander heeft structuur nodig, deadlines. One size fits all werkt niet.”

Met deze maatregelen hoopt Noorda dat studenten gemiddeld meer studiesucces zullen hebben in de bachelorfase. „Mijn doel is de uitval halveren en minstens eenderde van de studenten ieder jaar meer studiepunten laten halen dan het programma voorschrijft.”

Dat gaat niet zomaar, zegt Noorda. „Op het vwo moet de nadruk liggen op de drie basisvakken: wiskunde, Nederlands en Engels.” Eigenlijk, zegt Noorda, zou je pas het vwo mogen afronden als je voor alle vakken een voldoende hebt gehaald. „Ik zou willen dat je niet kunt slagen met een vier voor wiskunde, ook niet als je een alfastudie gaat doen.”

De plannen van de universiteiten stroken volgens de VSNU-voorzitter redelijk goed met het regeerakkoord. Noorda is opgetogen over de aandacht in het akkoord voor kwaliteit en inhoud, zegt hij. „En wat belangrijk is: er staan nog geen bedragen genoemd. Ik ga graag de komende maanden met het nieuwe kabinet om de tafel om een bestemming te vinden voor de beloofde investeringen.”

De tijd van botsingen met de politiek, onder meer over leerrechten, is voorbij, aldus Noorda. De universiteiten ademen de sfeer van het regeerakkoord: samenwerken is het devies. Noorda: „Ik wil geen slap en soft gepolder, maar ik vind wel dat zowel de politiek als de universiteiten water bij de wijn moeten doen. Dat is de enige manier die werkt.” Het gaat niet om wat de VSNU wil, zegt Noorda. „Je moet docenten en hoogleraren aanspreken. Samen een brug bouwen. Binnen een paar maanden gaan we de gevolgen van de koerswijziging in de praktijk merken.”