Moraal

Het was te verwachten, maar een beetje flauw is het wel: jarenlang wordt er geklaagd over het gebrek aan sociale cohesie in Nederland, de slechte manieren, de lompheid, de ik-gerichtheid, de onwil om verantwoordelijkheid te nemen, het verwaarlozen van de publieke zaak, de verloedering van het onderwijs, het ontbreken van leiderschap, de totale afwezigheid van het besef dat een samenleving toch ook zoiets als een gemeenschap moet zijn – en nu er ineens een kabinet is dat juist sociale binding hoog in het vaandel zegt te hebben, wordt er volautomatisch schande van gesproken. Bevoogding! Vertrutting! Grijs! In de Volkskrant ziet Marcel van Dam zelfs een spook rondwaren: „Heel langzaam maar zeker verspreidt zich in Nederland het virus van geestelijke bedilzucht met de staat als zedenmeester.” Voor Mark Rutte, die een week geleden nog zei het kabinet een eerlijke kans te geven, heeft plotseling het uur U geslagen: „De VVD gaat de vrijheidsvlag hijsen.” Het commentaar in deze krant valt hem hartgrondig bij: „De prijs die gezinnen, scholen, corporaties en andere groepen betalen voor de ‘ondersteuning’ die de staat gaat bieden is voortschrijdende betutteling en dwang, als de hulp niet in dank wordt aanvaard.” Aan het einde van het commentaar wordt alvast een nieuwe revolte aangekondigd: „Voor partijen die het individu centraal stellen, die tegen de betutteling zijn van de burger door de overheid en die staan voor een minder opdringerige rol van Vader Staat, is een wereld te winnen.”

Een wereld te winnen? Het probleem lijkt me dat juist die partijen al eerder een wereld te winnen hadden, namelijk bij de afgelopen verkiezingen. Ze verloren toen fors, omdat ze het vergiftigde politieke klimaat van de afgelopen jaren in één klap dachten weg te vagen met nietszeggende blijmoedigheid. De VVD probeerde het met een onbekommerd neoliberalisme, waarbij werk en welvaart alle identiteitsvragen en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke spanningen zouden doen verdwijnen als sneeuw voor de zon; de PvdA zocht het in ontspannen jeugdigheid en Femke Halsema van GroenLinks in de blijde verwachting van een uitzinnige ‘linkse lente’, waarvan me nooit duidelijk is geworden wat ze er nu eigenlijk mee bedoelde. Alle drie schatten ze de tijdgeest verkeerd in: de PvdA liet zich aftroeven door het harnaste socialisme van de SP, de VVD door de bloed-en-bodem retoriek van Wilders en zelfs GroenLinks liet zich verrassen door de doelgerichte Partij voor de Dieren.

En de PvdA? Het is niet de nieuwe toon van die partij die mij zorgen baart, maar de snelheid waarmee de toon is veranderd. Het luie Blairisme waarmee oppositie werd gevoerd – vooral niets zeggen wat je populariteit zou kunnen doen afnemen – is wel erg plotseling vervangen door morele ernst, die regelrecht uit de geschriften van Amitai Etzioni afkomstig lijkt, de huisfilosoof van Jan Peter Balkenende. Het communautarisme, waarvan Etzioni een van de belangrijkste vertegenwoordigers is, gaat ervan uit dat de staat hard moet ingrijpen wanneer te veel vrijheid naar anarchie begint te neigen – en dat de staat de teugels juist moet laten vieren, wanneer te veel restricties van bovenaf de vrijheid van de burger bedreigen. Dat is de taal die Wouter Bos nu spreekt: bij Nova sprak hij dan ook van een omslag in het denken van de PvdA. De interviewers van dat programma hadden het veel te druk met hun eigen schamperheid om door te vragen, dus veel over die omslag kwam je niet weten – behalve dan dat de partij het gelijkheidsprincipe had laten varen. Mensen die sociaal goed functioneerden, moest je niet lastig vallen, maar in probleembuurten moest je niet aarzelen je voet tussen de deur te zetten.

Dat is inderdaad nogal een verandering: naast het woord ‘sociaal’ heeft de PvdA kennelijk eindelijk ook het woord ‘asociaal’ leren kennen – de notie is doorgedrongen dat je misschien wel het eerste bent als je het tweede durft aan te pakken.

Wat de critici van dit nieuwe kabinet beangstigt, is dat men zich ongegeneerd op het gebied van de moraal heeft begeven. Moraal is in Nederland sinds de jaren zestig een besmet woord, omdat het consequent met moralisme wordt verward. Vandaar die heftigheid over de kabinetsplannen, vandaar die angst voor het morrelen aan de vrijheid. Dat is een typische Hollandse reflex, waarbij je bij inperken van de koopzondag meteen een nieuwe Goelag ziet verrijzen, een minieme aanpassing van de abortuswetgeving direct beschouwt als een terugkeer naar de tijd van de breipennen. In Nederland snakt iedereen naar een moraal, maar men is doodsbenauwd voor het moralisme van anderen.

Het nieuwe kabinet wil een einde maken aan wat Pim Fortuyn de ‘verweesde samenleving’ noemde. Fortuyn zelf kon die zelfgeformuleerde opdracht niet verenigen met zijn eigen vastgoedmoraal. Ook Balkenende tijdens zijn eerste kabinetten was gespleten: enerzijds had je het normen- en waardendebat, aan de andere kant een ongenaakbaar neoliberalisme, waarbij kneuzen en verschoppelingen allereerst op hun eigen verantwoordelijkheid moesten worden gewezen.

Diezelfde discrepantie tussen woord en daad lijkt me ook het grootste probleem van dit nieuwe kabinet. Wie zich op het gebied van de moraal begeeft, moet zelf het voorbeeld geven. Dat de PvdA haar toon van vrijheid-blijheid zo gemakkelijk inruilt voor een andere, geeft te denken over ernst van haar bekering. Dat de partij heeft ingestemd met het schrappen van een voorgenomen parlementair onderzoek naar hoe Nederland bij het debacle in Irak betrokken raakte, geeft nog meer te denken. Ik heb geen moeite met het normen- en waardendebat dat door Balkenende is ingezet, ik heb moeite met zijn eigen normen en waarden. Terwijl iedereen op het hart gedrukt werd elkaar respect te betonen in het alledaagse sociale verkeer en om vooral weer licht op zijn fiets te doen, werden grote, ethische kwesties als de Nederlandse bijdrage aan de invasie in Irak en de immigratiepolitiek achteloos onder het vloerkleed geveegd. Fatsoen moesten we doen, moraal was een ander verhaal.

Door moraal zo hoog op de maatschappelijke agenda te zetten, verplicht dit kabinet zich ook de allerhoogste eisen aan zichzelf te stellen – te hoog wellicht, we hebben het hier tenslotte over politiek. Zullen ze daaraan kunnen voldoen? Geloof me, de komende tijd gaat het niet over betutteling. Het zal gaan over geloofwaardigheid.