Iedereen betrokken, niemand verantwoordelijk

De oproep van Rijksbouwmeester Mels Crouwel in het Zaterdags Bijvoegsel van 3 februari om een einde te maken aan de verrommeling van Nederland heeft veel bijval gekregen van de ruim dertig lezers die reageerden. Maar er zijn er ook die kanttekeningen zetten bij zijn pleidooi voor centraal gestuurde planning van de Nederlandse ruimtelijke ordening. De grote vraag is niet alleen of dit centralisme nog mogelijk is, maar ook of het gewenst is. „Van overheidswege top-down ingrijpen zal niets verbeteren”, schrijft architect Kas Oosterhuis.

1

Rijksbouwmeester Mels Crouwel roept in het Zaterdags Bijvoegsel van 3 februari de rijksoverheid op een stevige rol te spelen om de ruimtelijke kwaliteit van ons land te behouden en te versterken. Zijn oproep om meer aandacht is mij uit het hart gegrepen.

Veel mensen voelen zich betrokken bij het landschap, maar niemand voelt zich er écht voor verantwoordelijk. De overheden – die landschapsbehoud állemaal als beleidsdoelstelling hebben – zouden die betrokkenheid moeten omzetten in actieve inzet. Die inzet zou je kunnen vergelijken met een filmproductie: de regisseur, in dit geval de provincies, kan pas écht goed zijn werk doen als er een goede producer is, die duidelijke lijnen uitzet en erop toeziet dat de productie op schema ligt. Die sturende rol zou het rijk op zich moeten nemen.

Om landschappen te bewaren moeten eigenaren, zoals Staatsbosbeheer, en andere lokale betrokkenen ook zélf de handen uit de mouwen steken. Een goede verdeling van de taken is essentieel; daarnaast is er uiteraard geld voor nodig. Ik hoop dat het nieuwe kabinet ook daar aan heeft gedacht.

Kees Vriesman

Algemeen directeur Staatsbosbeheer

2

Rijksbouwmeester Mels Crouwel vindt dat de rijksoverheid moet ingrijpen omdat het land anders verrommelt. Het Rijk moet met een visie komen hoe Nederland er in 2030 moet uitzien. Die kreet is niet nieuw, maar het is ook geen oplossing. Alsof alles wat ‘wij’ in Den Haag zeggen per definitie goed is, alsof dat werkt en alsof het Rijk van Maastricht tot Vlieland kan bepalen hoe de ruimte het best geordend kan worden.

De vraag is wel hoe we in gezamenlijkheid met goede beelden komen voor de langetermijninrichting van Nederland. Het rijk moet zich daar niet alleen druk om maken. dezer dagen zijn er ook veel lieden uit het bedrijfslevens die vinden dat „Nederland mooier moet worden” en die ten strijde trekken tegen de „wildgroei van bedrijventerreinen”. Wat dat laatste betreft zou ik de rijksbouwmeester willen oproepen: laat hij nu eens een begin maken met een beoordelingskader voor de aanleg van bedrijventerreinen op basis waarvan alle overheden kunnen besluiten.

Het echte probleem in de ruimtelijke ordening is fundamenteler. Het is waar dat langetermijnvisies ontbreken en dat willekeur de overhand lijkt te hebben met verrommeling als gevolg. Er zijn twee vraagstukken. De eerste is: hoe worden de ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, gronduitgifte, gebiedsontwikkeling, bestaande en nieuwe infrastructuur met elkaar verbonden? Het antwoord is: dat gebeurt nog niet of onvoldoende. Maar al is de ruimtelijke ordening niet de hoofdmoot van het nieuwe coalitieakkoord, er staan wel een paar interessante zinnen in. In plaats van een Meerjarenprogramma voor Infrastructuur en Transport komt er een Meerjarenprogramma voor Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Dat gaat een andere visie en benadering vragen van de overheid: infrastructuur bekijken in het licht van ruimtelijke ontwikkelingen en andersom. Bovendien moet een MIRT per definitie een langetermijperspectief geven op waar we gaan bouwen, wonen, werken en hoe we ons vervolgens gaan verplaatsen. Ten slotte dwingt een MIRT zowel de ministeries van VROM en VenW tot een nauw samenwerkingsverband. Dit is een revolutie in het denken over de inrichting van Nederland: op deze wijze kunnen we nooit meer woonwijken aanleggen zonder te bezien hoe en wanneer we het openbaar vervoer, de weg of het groen hebben geregeld.

De tweede vraag is: zijn overheden in staat echte keuzes te maken op het gebied van ruimtelijk ordening? Dat is in Nederland verschrikkelijk ingewikkeld. We praten al een decennium over verrommeling van het landschap en de vermaledijde bedrijventerreinen, maar ik ben nog geen lokaal bestuurder tegengekomen die géén bedrijventerrein wil. Wat is er terechtgekomen van al die moties van de Tweede Kamer die stelden dat het landschap langs de snelweg niet te grabbel gegooid mag worden? Weinig. Met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in de hand en de Provinciale Statenverkiezingen in het vooruitzicht hebben we dringend behoefte aan bestuurders en politici die van hun bevoegdheden gebruik gaan maken. Dat betekent soms nee zeggen tegen projecten. En sneller besluiten over andere. Geen woningbouw dus bij Woerden en Harmelen in het Groene Hart, maar wel zorgen dat snel begonnen kan worden met verbreding en verdieping van de A1-A9 voor Almere, zodat daar straks niet een verkeersinfarct in het kwadraat ontstaat wanneer daar tienduizenden huizen extra gebouwd gaan worden. Dat is een taak voor alle bestuurders en politici in dit land, niet alleen van het Rijk.

Roos Vermeij

Lid Tweede Kamer PvdA

3

De oproep van rijksbouwmeester Mels Crouwel om de ‘ouderwetse Nederlandse planning’ nieuw leven in te blazen lijkt mij onjuist. Het ‘plan’, dat de hoofdlijnen voor de ruimtelijke inrichting uitzet waar Crouwel om vraagt, is namelijk nooit weggeweest. Het ruimtelijk beleid, ook in de Nota Ruimte, geeft sinds lange tijd de ruimtelijke ontwikkeling van stad en land in grote lijnen, zeer consequent vorm. Daar heeft zelfs de uiteenlopende signatuur van de verschillende naoorlogse kabinetten niets aan veranderd, hoe graag een minister zich ook afzet in de media en de Tweede Kamer tegen zijn voorganger.

Het plan is er dus, maar de uitvoering ervan is alleen een stuk ingewikkelder dan vroeger. De grote opgave van de laatste decennia is dan ook om de toenemende complexiteit van de samenleving in ruimtelijke zin zoveel mogelijk recht te doen. Alles wat we doen vraagt ruimte, en we doen in dit kleine landje nogal wat, liefst letterlijk kriskras door elkaar. Daar komt bij dat de samenleving ook complexer is georganiseerd: iedereen praat mee over de keuzes waar wat te doen, en heeft juridische of financiële middelen om daar invloed op uit te oefenen. De kunst is om mét alle betrokkenen tot heldere besluiten te komen.

Crouwels uitspraak dat de regering het heft in handen moet nemen, doet geen recht aan de rol en taak van lokale overheden, maar ook niet aan die van het Rijk. Bestaande wetten geven het Rijk de mogelijkheid om zaken van nationaal belang naar zich toe te trekken. Centraal wat centraal moet, decentraal wat decentraal kan, zoals Crouwel zelf ook zegt. In de Nota Ruimte worden in lijn met het aloude beleid keurig nationale landschappen benoemd en beschermd, worden hoofdinfrastructuur en belangrijke havens en economische clusters van bedrijvigheid aangewezen, en worden de steden ontwikkeld en het landelijk gebied ondersteund. Van een laissez-faire is al helemaal geen sprake als je ziet hoe uitgebreid bijvoorbeeld een gemiddelde bouwaanvraag wordt beoordeeld – gooi die vraag maar eens in de groep bij de eerstvolgende verjaarsvisite.

Veranker de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid, het nationale ‘plan’ zo je wilt, in duidelijke regels en afspraken. Inspireer en regisseer op nationaal niveau, maar maak de keuzes over de uiteindelijke inrichting mét iedereen die het aangaat, op het schaalniveau waar het speelt. Crouwels betoog lijkt op de roep om een ‘sterke man’ in de ruimtelijke ordening, maar gelukkig is de benadering van ruimtelijke vraagstukken niet zo zwart-wit als bijvoorbeeld het vorige kabinet het immigratievraagstuk heeft aangepakt.

Hotze Hofstra

Projectmanager Stedelijke Ontwikkeling

4

Het pleidooi van rijksbouwmeester Mels Crouwel brengt mij tot de volgende kanttekeningen:

1. Dat bedrijventerreinen langs snelwegen verschijnen is een proces dat al twintig, dertig jaar zichtbaar aan de gang is. Het is wel rijkelijk laat om dit nu pas te constateren en te proberen het tij te keren.

2. Het feit dat in het oosten en noorden van het land bedrijventerreinen worden ingericht die qua uitstraling gelijkwaardig zijn aan die in het westen van het land is eerder iets om bijzonder tevreden over te zijn dan om negatief over te oordelen. Zelf rijd ik 40.000 km per jaar en ik ben juist steeds weer gecharmeerd van het feit dat er in alle uithoeken van Nederland heel behoorlijke gebouwen ontworpen worden op de bedrijventerreinen langs de snelwegen.

3. Dat bedrijven langs de snelwegen volgens een gemeentelijk gestuurd bottom-up proces samenzwermen is niet meer dan logisch, het is als een natuurlijke evolutie. Bedrijven zijn immers gebaat bij een goede onderlinge communicatie en dan is een locatie langs de snelweg de aangewezen plek, bij voorkeur een zichtlocatie.

4. De bedrijven op de nieuwe bedrijventerreinen zijn bijna zonder uitzondering bedrijfsverplaatsingen. De bedrijven komen uit woonwijken of uit verouderde en slecht toegankelijke bedrijventerreinen gelegen langs de vaarwegen. Voor deze vaak meer kleinschalige bedrijfsterreinen liggen er nu kansen om een gemengd gebruik te stimuleren waar met name ook woningen gebouwd kunnen worden om daarmee tot een nieuwe bedrijvige stedelijkheid te komen. Het Westland met een aantrekkelijk gemengd gebruik van kassen, loodsen, arbeiderswoningen, terpvilla’s, tuincentra, struisvogelboerderijen, restgebieden met een paar schapen, sportvelden, maneges, restaurants en recreatiehuisjes kan daarbij als voorbeeld dienen.

5. De bedrijven op de nieuwe bedrijventerreinen bezetten vrijwel zonder uitzondering meer ruimte dan waar zij vandaan kwamen. Pump up the Volume. Dit is net als de steeds groter wordende behoefte aan vierkante meters voor woonruimten een onomkeerbaar proces totdat het tot een nieuw natuurlijk evenwicht komt.

6. Voor de ontwerpen van particuliere bedrijfsruimten worden vaker goed presterende architecten gevraagd dan voor particuliere woningen. Dit geeft duidelijk aan waar de grootste pijn ligt bij de facelift van Nederland.

7. Wanneer de nieuwe bedrijfsgebouwen langs de snelwegen geplaatst worden, staan zij met opzet dus niet in de groen gekleurde weilanden daarachter. De woningen en recreatieve gebieden hebben daardoor juist meer open ruimte in hun directe omgeving dan als de nieuwe bedrijven rondom de dorps-/stadskernen gebouwd zouden worden

8. Met eenvoudige middelen kan de uitstraling van bedrijventerreinen verbeterd worden, zoals mijn bureau ONL heeft aangetoond met de Hessing Cockpit en de glazen geluidswand langs de A2 bij Leidsche Rijn.

9. Achteraf van overheidswege top-down ingrijpen zal niets verbeteren, het zal naar alle waarschijnlijkheid slechts een aantal esthetische restricties kunnen aanleggen die de realisatie van gebouwen als de Cockpit alleen maar onwaarschijnlijker zouden maken.

10. Indien er dan toch top-down van overheidswege geïnvesteerd moet worden, stel ik voor dit geld rechtstreeks ten goede te laten komen aan de fusie van landscaping en gebouwen direct langs de snelwegen. Met een doeltreffende verweving van gebouw met landscaping en geluidsvoorzieningen kan men visuele wonderen verrichten in een voor beide partijen profijtelijke public-private partnership.

Kas Oosterhuis

Architectenbureau ONL

5

Rijksbouwmeester Mels Crouwel hoopt dat hij snel meer invloed krijgt op de huidige architectuur van de rijksoverheid. Maar deelt de gemiddelde Nederlander de visie van deze invloedrijke rijksbouwmeester? Want liet Crouwel, in het Zaterdag Bijvoegsel van deze krant, niet weten het persoonlijk te betreuren dat er een groeiende vraag naar traditionele huizen is? Zou een rijksbouwmeester op dit punt niet meer moeten luisteren naar de wensen van de mensen die ervan zouden moeten genieten?

De openbare afkeuring van neo-traditionalistische architectuur zou wel eens dramatische gevolgen kunnen hebben voor een ontwikkeling die ik, en ik vermoed velen met mij, toejuich. Nederlanders willen maar al te graag wonen in de huizen van vroeger, zo bleek bijvoorbeeld uit een uiterst verhelderend artikel van Bernard Hulsman in het NRC-maandblad van december 2006 over de opkomst van het neotraditionalisme. Hulsman schreef toen al dat „de gevestigde modernistische architecten daarvan walgen” en het neotraditionalisme ‘Anton-Pieck Kitsch’ noemen. Bewoners van neo-traditionele wijken als Brandevoort zijn echter dolgelukkig en trots op hun wijk. Deze geluiden zijn niet te horen vanuit de ‘punaisebouw’ in de vele Vinex-wijken.

Crouwel stelt terecht dat Nederland groot en beroemd geworden is door planning. Hij pleit voor een terugkeer naar de Nederlandse traditie van centraal geplande ruimtelijke ordening. Uitstekend, zou ik zeggen, maar dan wel op basis van een bewezen succesformule zoals het neotraditionalisme. Het is van groot belang voor het Nederlands landschap dat adviserende architecten zich meer richten op de smaak van de klant.

Anton H. Hosman

Groningen