Het kleine koninkrijk en de verdwenen spelling (2)

Geruime tijd al gingen er geruchten dat de studenten – zoals jongelingen van boven de achttien sinds de Grote Omwenteling in het kleine koninkrijk werden genoemd – niet meer zo goed konden lezen en schrijven. En af en toe werd er in een van de couranten van het kleine koninkrijk een wanhopige schoolmeester in een sleets colbertje aan het woord gelaten, die dan op opgewonden toon mocht vertellen dat de situatie ramp-za-lig was. Men besteedde er weinig aandacht aan. Er was nog nooit iets echt rampzalig geweest in het kleine koninkrijk, in ieder geval niet zolang men zich kon heugen. En ach, wie kon er nu tegenwoordig nog wel spellen? Dat de besnorde gastarbeiders en hun olijfkleurige kinderen in het kleine koninkrijk de taal niet machtig waren, was bekend, maar dat werd ook helemaal niet van ze verwacht. Waar hadden ze die immers voor nodig in de fabrieken?

Maar nu, zo wilden de geruchten in het kleine koninkrijk, wisten zelfs de blondste kinderen niet meer hoe ze moesten spellen. Blijkbaar was er ergens iets mis gegaan. Nu konden weliswaar slechts weinig onderdanen van het kleine koninkrijk nog correct spellen, ondanks de glasheldere regels van het Geleerde Genootschap dat waakte over de taal, maar bij de blonde kinderen bleek meer aan de hand. Ook hun woordenschat, grammatica, zinsopbouw, tekstverklaring, redeneringsvermogen en analyses bleken gebrekkig. In feite konden de jongelingen in het geheel niet meer lezen en schrijven, of nadenken – al durfde men dat laatste niet hardop te zeggen.

Bezorgde ouders wezen een beschuldigende vinger naar de kwalijke invloed van de olijfkleurige scholen. Maar daar waren er helaas niet genoeg van om het probleem te verklaren. Had het dan toch iets te maken met de Grote Omwenteling?

In de Jaren Zestig van de vorige eeuw was in het kleine koninkrijk immers per decreet vastgesteld dat iedereen gelijk was. Tot die tijd mochten alle arme kinderen van het kleine koninkrijk die over een goed stel hersens beschikten eens per jaar op het grote regeringspaleis met de wapperende vaantjes komen voor een feestelijke ceremonie. Daar ontvingen ze hoogstpersoonlijk uit de handen van een speciaal aangestelde klerk een leren buidel met munten, opdat ze weer een jaar verder konden leren.

Maar, zo merkten een aantal jonge, ambitieuze en in modieuze leren jasjes gestoken geleerden van de nieuwe Commissie Vooruitgang en Verbetering Onderwijs op, ondanks deze gelijke kansen bleken er tijdens de schooljaren toch nog grote verschillen te ontstaan tussen de kinderen onderling. En wie waren de schoolmeesters nu helemaal, in hun sleetse, reactionaire colbertjes, de schouders bedekt met roos, om te zeggen dat het ene kind beter kon leren dan het andere? Vanaf nu zou de Commissie ervoor zorgen dat alle kinderen gelijke vaardigheden zouden ontwikkelen, en dat allen zouden doorstromen naar de universiteiten van het kleine koninkrijk. Dat stond ook veel beter tegenover de naburige koninkrijken. Om dit aan te moedigen kregen de universiteiten voortaan een buidel muntstukken voor iedere perkamenten bul die ze uitdeelden. Zodoende ontstond er al snel een nijpend tekort aan perkament, dat moest worden geïmporteerd vanuit de naburige koninkrijken, vanwaar men de verwikkelingen met verwondering gade sloeg.

De schoolmeesters sputterenden zachtjes tegen, maar hen werd gemakkelijk het zwijgen opgelegd met de retorische vraag: „Wij willen toch niet terug naar de Jaren Vijftig?” Wat er precies mis was met de Jaren Vijftig kon niemand uitleggen, maar het was in de duistere periode van voor de Grote Omwenteling, dus uitermate verdacht. Bovendien, stelde de Commissie Vooruitgang en Verbetering, was deze generatie jongelingen heel anders dan alle voorgaande generaties. Dat was onderzocht door geleerden. Deze generatie, wist men, leefde in een Plaatjescultuur, niet in een Lettercultuur. De kinderen, stelden de geleerden, wilden geen verhalen meer horen, maar bekeken in plaats daarvan de plaatjes op de beeldschermen en zoekmachines die al snel in alle huizen van het kleine koninkrijk stonden.

En in het licht van de nieuwste wetenschappelijke en politieke ontwikkelingen was een hiërarchische verhouding tussen meester en leerling eenvoudigweg niet meer acceptabel. Zulks grensde aan de onderdrukking waar ook het vredelievende kleine koninkrijk zich in een niet al te ver verleden wel eens schuldig aan had gemaakt. De schoolmeesters hadden dan misschien een tiental jaar doorgeleerd in hun vak, maar dat betekende nog niet dat zij daarom beter wisten dan de kinderen zelf wat die erover moesten weten. Nee, zulke kennis verouderde immers snel. En vaak zaten er ook niet genoeg kleurige plaatjes bij. Moderne jongelingen moesten vanuit hun eigen nieuwsgierigheid en motivatie gaan bepalen wat ze wilden leren – zo bleef de kennis ook beter hangen, hoopte men. In het nieuwe systeem, Zelf Meester Worden gedoopt, was ieder kind verantwoordelijk voor zijn eigen leerproces!

De kinderen zelf, die niets liever wilden dan ijsvrij, hielden wijselijk hun mond.

corine vloet