Heen en weer

Gebrek aan perspectief drijft Antillianen tot crimineel gedrag maar ook tot ‘bai-bin’: het heen en weer trekken tussen de Antillen en Nederland. Velen remigreren op dit moment – maar voor hoelang? De thuisblijvers zitten niet te wachten op hun ‘Amsterdamse arrogantie’.

De Scharlooweg in Willemstad, Curaçao Foto Prince Victor De Scharlooweg in de Curacaose hoofdstad Willemstad. In deze arme buurt worden veel mensen geronseld om als bolletjesslikker drugs naar Nederland te smokkelen. Foto: Prince Victor Victor, Prince

Op een erf in de Curaçaose wijk Buena Vista scharrelen kippen rond de stoel van Marelva (39). Met twee kinderen verhuisde ze anderhalf jaar geleden vanuit Den Helder terug naar Curaçao. Haar besluit werd ingegeven door strengere eisen van de belastingdienst, de ‘ziekmakende’ koude en de grimmige vetes tussen Antillianen in de marinestad – bij vechtpartijen werden de afgelopen jaren twee jonge Curaçaoënaars gedood.

Sindsdien zit Marelva op het erf van haar moeder. Ze wil niet met haar echte naam in de krant: anderen zouden leedvermaak kunnen hebben over haar tegenspoed. „Hier is het nog moeilijker dan daar”, zucht ze. „Ik zoek al anderhalf jaar naar werk. In Nederland zeggen ze nog ‘we hebben u niet nodig’, maar hier hoor je nooit meer iets. Ik had niet gedacht dat het zo zou gaan.”

Vorige week bleek uit onderzoek van de criminologe Marion van San dat in Rotterdam Nederlanders van Antilliaanse afkomst meer dan drie keer zo vaak in aanraking komen met de politie als de rest van de bevolking. Van Sans rapport heet ‘Verslaafd aan een flitsende levensstijl’. De titel verwijst naar het zwak van Antillianen voor ‘blingbling’, maar het flitsen zou ook kunnen slaan op de zogeheten ‘bai-bin’ – het rusteloze heen en weer trekken tussen Nederland en de Antillen.

‘Draaideurmigratie’ is een constante in het leven van veel Antillianen. Ze trekken naar Nederland – en keren weer terug. Vooral dat laatste; de afgelopen jaren remigreerden veel Curaçaoënaars, er keerden er zelfs meer terug dan dat er naar Nederland vertrokken. In 2003 verhuisden 4.273 Antillianen en Arubanen naar Nederland, terwijl 4.593 de oversteek terug naar hun geboorte-eiland maakten. In 2005 was dat al 2.411 emigranten tegen 4.627 remigranten. En de eerste zes maanden van 2006 ging het om 818 versus 1.823 mensen. De statistieken worden bijgehouden voor Antillianen en Arubanen, maar de meeste cijfers hebben betrekking op Curaçaoënaars.

Maar eenmaal teruggekeerd belanden vooral laagopgeleide Curaçaoënaars tussen wal en schip. De arbeidsmarkt op hun geboorte-eiland biedt net zomin perspectief als die in Nederland. Veel remigranten overwegen nu dan ook om hun geluk opnieuw in Nederland te beproeven.

De bai-bin gaat dus door, sterker, houdt zichzelf in stand. Ondanks een economische groei van 0,8 procent (2005) op het eiland. De werkloosheid bedraagt meer dan 18 procent (op een bevolking van 135.000 zielen), onder jongeren gaat het zelfs om 44 procent. De remigratie is daar debet aan. Mede door werkzoekende remigranten steeg de werkloosheid met ruim twee procentpunt – werkloosheid die weer tot emigratie aanzet.

‘Bai-bin’ is van oudsher economisch geïnspireerd. Voorheen beperkte het zich tot het Caraïbisch gebied. Waar Curaçaoënaars begin vorige eeuw suikerriet kapten in Cuba of meehielpen het Panama-kanaal te graven, was het eiland een paar decennia later zelf een magneet voor arbeidsmigranten die bij de toenmalige Shell-raffinaderij kwamen werken. Pas na het vertrek van Shell in 1985, dat massale werkloosheid tot gevolg had, werd ook Nederland migratiedoel voor de Curaçaoënaar. Er kwam niet minder dan een exodus op gang, die een hoogtepunt bereikte in 2000. Vergaande bezuinigingen op de Antillen deden nog eens ruim 10.000 mensen verhuizen naar Nederland.

„De Antilliaanse migratie is heel merkwaardig”, zegt emeritus hoogleraar bevolkingsgeografie Hans van Amersfoort in zijn kantoor aan de Universiteit van Amsterdam. „Tot twintig jaar geleden waren er heel weinig Antilliaanse immigranten in Nederland en degenen die kwamen, behoorden tot de upperclass. Zij integreerden gemakkelijk. Maar na de grote werkloosheid kwamen juist veel Curaçaoënaars uit de onderste klasse, met een subcultuur die hier weinig uitzicht biedt op een goede toekomst.”

Binnen die subcultuur is criminaliteit een constant probleem, zowel op Curaçao als in Nederland. Uit Marion van Sans rapport blijkt dat bijna een op de vijf jongeren tussen de 12 en 17 jaar die op Curaçao zijn geboren en later naar Nederland kwamen, in aanraking komt met de politie (in 2005).

De socioloog Aart Broek bracht vorig jaar ook een rapport uit over de criminaliteit onder Curaçaose jongeren. In De terreur van de schaamte, resultaat van een onderzoeksopdracht van Reclassering Nederland, schrijft hij dat vernedering en angst voor afwijzing tot gewelddadig gedrag kunnen leiden.

„Op zichzelf”, zegt Broek, „heeft Curaçao geen geschiedenis van excessief geweld. Wat speelt is dat de emancipatie van de Curaçaose onderklasse in de laatste veertig jaar vrijwel stil is komen te staan, terwijl lokale politici juist deden alsof ze zich daar heel erg voor inzetten. Als je in je eigen land al in het afvoerputje zit en je komt naar Nederland met de drang om te scoren en het lukt niet, dan voelt dat als een dubbele afwijzing.” Door de combinatie van een slecht zelfbeeld met een vaak tekortschietende opvoeding blijft de Curaçaose onderklasse ronddraaien in een vicieuze cirkel. Zonder adequate begeleiding maar vooral: zonder werk is daar, op Curaçao of in Nederland, amper uit te komen.

In een steriel vergaderzaaltje van het Curaçaose Bureau Vrouwenzaken worden klapstoelen klaargezet. Het is vrijdagmorgen negen uur. Dertig grotendeels werkloze vrouwen drentelen binnen voor een workshop solliciteren. De meesten, zwaarlijvig en opzichtig gekleed, lopen direct naar de koffie met koekjes. Voor sommigen het eerste dat ze die dag binnenkrijgen. Bijna eenderde van de deelneemsters is in de afgelopen drie jaar teruggekomen uit Nederland.

Op de voorste rij klapstoelen zit Nadine (28). Ze wil, om dezelfde reden als Marelva, niet met haar echte naam in de krant. Twee jaar geleden kwam ze met haar dochtertje terug naar Curaçao. In Nederland deed Nadine een hbo-opleiding energietechniek, maar in het derde jaar haakte ze af. „En toen kwam die dure euro”, zegt ze. „Daarna leek Curaçao me veel leuker, hier is het ook niet zo duur om uit te gaan.”

Maar het leven op haar geboorte-eiland bleek ook voor haar zwaarder dan verwacht. „Toen ik terugkwam, had ik tweeduizend euro spaargeld bij me. Dat raakte op en het werk kwam maar niet.” Ze kent verhalen van remigranten die door hun familie snel door hun in Nederland gespaarde geld heen werden geholpen. „Van de mensen die terugkwamen, hoor je alleen maar slecht nieuws. De meesten willen weer naar Nederland. Maar niet iedereen heeft geld voor een ticket.”

Uiteindelijk vond Nadine een baan, ver beneden haar niveau. Ze vertelt de zaal hoe ze, in de winkel waar ze nu werkt, drie dagen oude pastechis, ofwel gefrituurde snacks, moet verkopen. „Ze maken geen nieuwe totdat de oude op zijn. Er zijn daar ratten, ik vind het vies. De eigenaar zegt dat hij nooit meer een Curaçaose in dienst neemt, alleen maar buitenlanders, want die klagen niet.”

Jacinta Constancia, gedeputeerde – vergelijkbaar met een Nederlandse wethouder – voor Anthony Godetts politieke partij Frente Obrero Liberashon (FOL) en voormalig beleidsmedewerkster bij Bureau Vrouwenzaken, hoort het hoofdschuddend aan. Nadine zou met haar hbo-propedeuse beter werk moeten kunnen vinden. „Maar de werkgevers”, vertelt Constancia na afloop van de workshop, „zeggen dat ze te weinig initiatief toont, al zeggen ze dat altijd als ze iemand niet willen.” Volgens Constancia zijn er ruim 3.000 jonge vrouwen zoals Nadine op Curaçao, onder te verdelen in drie categorieën.

„Zestig procent”, zegt Constancia, „is niet gewend te werken. Ze vertellen me dat ze nooit een baan hoefden omdat hun man in de drugshandel zit of in een daaraan gerelateerde business.” Maar met de invoering van de honderdprocent-controles op bolletjesslikkers en drugskoeriers op Schiphol en de Curaçaose luchthaven Hato is het inkomen van die groep flink geslonken. Constancia: „Nu moeten ze gaan werken, maar dat hebben ze nog nooit gedaan. Nederland is met de invoering van de euro te duur geworden, dus proberen ze het op Curaçao. Ze kunnen nergens hun plek vinden.”

Een andere groep vrouwen, zo’n 35 procent, wil volgens Constancia van hun man af maar weet niet hoe het alleen te rooien. En de laatste groep, ruim 5 procent, gelooft helemaal niet dat arbeid adelt. „Die willen alleen maar lekker thuis zitten en een uitkering trekken, terwijl ze ondertussen zwart bijverdienen.”

Ook Wilfred Lodowica, oud-parlementariër en politiek columnist, ziet de gevolgen van het problematische Curaçaose arbeidsethos. In de Curaçaose cultuur telt alleen een kantoorbaan, in de airco, als een echte baan. Iedere andere job is te min en leidt, via de ongeschreven regels van de subcultuur, tot leedvermaak en uitstoting binnen de Curaçaose onderklasse.

„We moeten beginnen met een sociaal-culturele omslag in het onderwijs”, zegt Lodowica in zijn kantoor in de schaduw van het Antilliaanse regeringscentrum Fort Amsterdam. „Nu leren kinderen over Kompa Nanzi, de slimme sprookjesspin die zich door sabotage en corruptie uit de benardste omstandigheden weet te redden. Maar Nanzi is een beunhaas, en dat is ons culturele voorbeeld!”

Het Curaçaose arbeidsethos breekt niet alleen de onderklasse op. Ook succesvollere Curaçaoënaars, die na het afronden van hun studie en met werkervaring in Nederland, remigreren wegens familieomstandigheden of uit aversie tegen de verharding van de Nederlandse samenleving, worden geconfronteerd met het Nanzi-complex.

Cynthia Devere, oud-gemeenteraadslid en oud-Statenlid voor de PvdA in Groningen, keerde na 26 jaar in Nederland terug naar Curaçao. Na een sollicitatieprocedure die door allerlei politieke verwikkelingen anderhalf jaar in beslag nam, werkt ze nu als juridisch en beleidsmedewerkster bij de Antilliaanse Directie Scheepvaart en Maritieme Zaken.

„Wat het meeste tegenvalt, is het politieke gedoe hier”, zegt Devere op de veranda van haar woning in een stille middenstandswijk. „Overal kom je de politiek tegen en de meeste politici willen hun stempel ergens op drukken.” Ze had verwacht dat de Curaçaose politiek in haar afwezigheid volwassen was geworden. Maar Devere ervaart dat Curaçaose politici weinig moeite doen om samen te werken en ook geen verantwoordelijkheid nemen. „Ze weten altijd dat Nederland er is, als een soort vangnet, waardoor ze denken zich een kortetermijnvisie te kunnen veroorloven.”

De onvolwassenheid in het Curaçaose politieke bedrijf werkt door in alle hoeken van de samenleving. Van bedrijven en overheidsinstellingen die sollicitanten eeuwig in het ongewisse laten, via stilzwijgend saboterende ambtenaren tot de gebrekkige dienstverlening van veel overheidsorganisaties: verantwoordelijkheid nemen of nee verkopen is over het algemeen not done in de door kolonialisme en slavernij gevormde Curaçaose eilandcultuur. En dat leidt tot botsingen met in Nederland geschoolde remigranten.

Pedro (34) – ook hij wil niet met zijn naam in de krant ‘om mijn toekomst op Curaçao geen schade te berokkenen’ – kan erover mee praten. Na acht jaar in Nederland, waar hij voorlichting en communicatie studeerde en vervolgens werkervaring opdeed, is hij nu drie jaar terug op het eiland. Het eerste jaar werkte hij voor de Curaçaose overheid, maar zijn contract werd niet verlengd. „Ik had in Nederland geleerd assertief te zijn”, zegt hij, „maar dat wordt je hier niet in dank afgenomen.”

Pedro zit op het terras van een populaire uitgaansgelegenheid. Op deze vrijdagmiddag verzamelen vertegenwoordigers van de Curaçaose elite zich daar voor het wekelijkse happy hour. Pedro vindt het niet verwonderlijk dat zo’n zeventig procent van de honderden bursalen die jaarlijks voor studie naar Nederland vertrekken daar blijft hangen. „Er wordt altijd op gehamerd dat de jongeren terug moeten komen, maar dat ze direct aan de slag kunnen is een fabeltje. Je hoopt dat je met de opgedane kennis hier iets kan betekenen, maar door vriendjespolitiek zitten te veel incapabele mensen op belangrijke posities. Zij houden iedere vernieuwing tegen.”

In een poging de remigratie van Curaçaose hoog opgeleide jongeren beter te laten verlopen, is het Curaçao Stage Bureau gestart met een terugkeerproject. Want de Curaçaose economie zou pas levensvatbaar zijn met een bevolking van 250.000 tot 500.000, denkt de Antilliaanse staatssecretaris Alex Rosaria van Financiën, voorheen minister van Economische Zaken. Hij moedigt Curaçaose remigranten aan om meer initiatief te tonen door eigen bedrijven te beginnen en niet te denken dat alle in Nederland opgedane kennis ook op het eiland toepasbaar is.

Rosaria sluit de ogen niet voor de problemen die politieke benoemingen veroorzaken. „We moeten af van het idee van zekerheid via een baan voor het leven. Het is een soort traditie geworden dat mensen hier decennia op een bepaalde plek blijven zitten, daardoor stagneert de arbeidsmarkt.”

Veel remigranten realiseren zich niet dat ze door de achterblijvers als een bedreiging worden gezien, denkt professor Van Amersfoort. Ze gaan terug om iets te doen voor hun eiland, maar beseffen niet dat de achterblijvers daar helemaal geen behoefte aan hebben. „Zeker in een kleine samenleving speelt dat heel erg.” Ook Pedro krijgt het etiket makamba pretu (zwarte Nederlander) of bounty – zwart van buiten, wit van binnen – opgeplakt.

„Dan ben je een overloper”, zegt Pedro, „maar zo voel ik me helemaal niet.”

Volgens Van Amersfoort motiveert de uitsluiting van gestudeerde Curaçaoënaars de onderklasse nog minder om via een baan of opleiding hoger op te komen. Het is gemakkelijker om te blijven hangen in de al ingesleten patronen. Van Amersfoort: „Dan blijft er vaak alleen de drugshandel of het illegale circuit over.”

Rafaël Lambourghini heeft respect voor de achterblijvers. Tot voor kort was hij projectleider bij Stedelijk Jongerenwerk in Amsterdam-Zuidoost, nu doet hij hetzelfde werk op Curaçao. Over een eiland met een scheve inkomensverdeling en een kleine middenklasse die kampt met een groot gebrek aan vertrouwen en vecht om haar schulden bij de bank te betalen „is het wel heel makkelijk praten als je in Nederland zit.”

Hij vindt het niet gek dat ‘de Curaçaoënaar alles wantrouwt wat uit Nederland komt’. Inclusief hemzelf. Lambourghini verliet Nederland omdat hij er genoeg van had om daar de zondebok te zijn – maar op zijn „Amsterdamse arrogantie” zaten ze op Curaçao ook niet te wachten.

Als jongerenwerker wil hij een voorbeeld zijn, in tegenstelling tot de huidige politici. „Er is in Nederland een nieuwe generatie Curaçaoënaars die klaar staat om te helpen. Maar ze kunnen niet terugkomen omdat de achtergebleven middenklasse, met handen en voeten gebonden aan te hoge hypotheken en leningen, de arbeidsmarkt blijft bezetten.”

Volgens Lambourghini is het nu of nooit, niet alleen voor zijn generatie maar ook voor Curaçao. Curaçao wil in 2007, in het kader van de opheffing van het Antilliaanse staatsverband, een zelfstandig land binnen het koninkrijk der Nederlanden worden. Het is onduidelijk of dat invloed heeft op de migratiestromen, veelal gedreven door economische belangen. Toch zou het ambtelijk apparaat baat hebben bij een kennisinjectie van in Nederland wonende Curaçaoënaars. Staatssecretaris Rosaria: „Het zou ideaal zijn als alle Curaçaoënaars remigreren, maar ze kunnen met behulp van technologische middelen ook al een bijdrage leveren zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn.”

Het is de vraag of geremigreerde Curaçaoënaars op het eiland willen blijven. Niet alleen werkloze moeders als Marelva, maar ook afgestudeerde jongeren als Pedro denken over een verhuizing terug naar Nederland. Nadine wacht niet langer af. Op een ochtend staat ze met vier zware koffers op de Curaçaose luchthaven Hato. Dochtertje Nephtalie rent op roze bontgevoerde suède laarsjes en met een bijpassende maillot door de snikhete vertrekhal. „Hier op Curaçao”, zegt Nadine, „heb ik alleen maar stress. Met mijn werk en met mijn dochtertje. Ze huilt de hele dag totdat ik weer terug ben, mijn peetmoeder bij wie ik inwoon kan er niet meer tegen.” In Nederland wil ze haar opleiding afmaken. Het is daar ook niet gemakkelijk, weet ze, maar er zijn wel veel meer mogelijkheden. „In Nederland”, zegt Nadine, „heb ik tenminste een behoorlijke uitkering en kinderbijslag.”