Geen weg terug

Bijna drie jaar deed ‘dokter Hermans’ op deze plek verslag van haar opleiding tot arts. Vandaag de laatste aflevering.

Gisteren heb ik een step gekocht. Misschien deed ik het wel om die vreemde nieuwe status van ‘arts’ te compenseren. Sinds ik vorige week vrijdag de eed heb afgelegd, omhult die status me als een wollen deken: soms veilig en warm, maar bij vlagen beklemmend benauwd.

Vandaag heb ik een vrije dag. Buiten schijnt een warm lentezonnetje en ik besluit: ‘Duidelijk geen dag voor wollen dekens. Een dag om met mijn step op pad te gaan.’

En even later scheuren we uitgelaten door Amsterdam. Tevreden wentelen we ons in alle aandacht: mensen kijken, glimlachen, of zwaaien amicaal. De step en ik zwaaien grootmoedig terug: ‘Dag mensen! Dag bomen! Wij gaan de polder in!’

Maar in de buurt van de Nieuwmarkt slaat de sfeer plotseling om. Ik bespeur disrespect en sarcasme op alle terrassen. Iemand schiet hardop in de lach, mensen wijzen, en de junks op de Zeedijk snuiven minachtend. „De stad is niks voor jou, step”, beur ik mijn maatje op, terwijl ik hem de stationstrap op sjouw, „wacht maar tot we in de Zaanstreek zijn.”

Gelukkig racen we twintig minuten later over de Westzanerdijk. Het kost me mijn laatste adem, maar we halen zelfs een bejaarde fietser in. „Da’s nog ’t ouwe werk, hey!” roept hij ons goedkeurend na. Ik kijk om me heen. Er staan vier slome koeien langs het fietspad en een haas schiet weg in het gras. Opeens voel ik me vreemd euforisch. Ik heb me sinds het begin van mijn co-schappen niet meer zo vrij en anoniem gevoeld: een soort minivakantie naar het pré-artsenleven. En tegen de wind zing ik hardop Klein Orkest: „Ik heb een step, mijn step is blauw, hij kan wel honderd, hoe hard kan die van jou?”

Plotseling schrik ik op uit mijn roes: „Dokter! Joehoee, dokter!” Voor me op de dijk staat een vrouw uitbundig te zwaaien. Ik wil uitwijken, maar er is geen vluchtroute voorhanden. „O, dokter, wat goed om ú hier te zien! Joris is zó opgeknapt na die laatste opname. Dat hadden jullie ook wel voorspeld hoor, maar ja, u weet van zijn verleden...en dan blijf je je...” Ik laat mijn brein op volle toeren draaien, maar kom nergens een Joris tegen, laat staan dat ik deze vrouw herken. Improviseren dan maar, besluit ik en vul aan „...toch zorgen maken, hè?” Ze knikt. „U begrijpt dat tenminste. Ja, want ze kunnen zeggen wat ze willen over hem, maar...” Ik begin er in te komen en vul weer aan: „...diep van binnen is het écht een lieve jongen.”

De vrouw stemt tevreden in: „Dat u dat ziet, dokter, dat vin’ ik zó fijn, want hij werd veel te vaak verkeerd begrepen...” Ik hoor de step gniffelen en voel me overmoedig worden. Met een klopje op haar schouder fluister ik in haar oor: „Maar ú bent in hem blijven geloven en ík denk dat dát hem gered heeft. Daar mag u ook best eens bij stilstaan!”

Ze straalt nu en ik neem snel afscheid. Terwijl de step en ik verder scheuren besef ik teleurgesteld: ‘Zelfs een step helpt niet meer. Ze heeft hem niet eens opgemerkt. Ik ben nu arts. Er is geen weg meer terug.’

Meer informatie over Anne Hermans is te vinden op www.annehermans.nl