Geen Hollywood, maar schaatsen

Regerend wereldkampioen schaatsen Shani Davis (24) doet geen enkele moeite om zich in ‘zijn’ Amerika populair te maken. Over de ‘duivel’ Bush, over armoede. „Vanaf mijn jeugd heb ik geen eigen voordeur gehad.”

Shani Davis: „Ik begrijp niet waarom sportmensen naar de president zouden moeten. Het is een show, een spel. Een handdruk, een foto en je hoort nooit meer wat van hem.” Foto Eric Brinkhorst 2-2-2007 Shani Davis Heerenveen schaatser ©foto eric brinkhorst Brinkhorst, Eric

Het was kort na zijn gouden 1.000 meter op de Olympische Winterspelen van Turijn, een jaar geleden, dat Shani Davis door het Witte Huis werd uitgenodigd om de felicitaties van president George W. Bush in ontvangst te nemen. De presidentiële adviseurs hadden beter moeten weten, want de schaatser heeft weinig op met dergelijke bezoekjes. En al helemaal niet met de huidige president. „Ik zou nooit naar de president gaan. Die man is een duivel”, zegt Davis. „Ik ben twee keer uitgenodigd, maar heb vriendelijk bedankt. Ik ben wel naar dominee Jesse Jackson gegaan. Ik zie absoluut niet in waarom sportmensen naar de president zouden moeten. Het is een show, een spel, om te laten zien hoe trots we zijn op de natie. Een handdruk, een foto en je hoort nooit meer wat van hem.”

Het zou weggegooid geld zijn: een Hollywood-film over de American dream van een arme, zwarte jongen die zich ontworstelt aan de sloppenwijken van Chicago en het schopt tot olympisch- en wereldkampioen schaatsen. Davis doet geen enkele moeite om zich populair te maken in zijn vaderland. Daarvoor heeft hij te veel alleen moeten opknappen, met zijn moeder als enige toeverlaat. Voor hem geen glorie, geen verhaal als Tiger Woods, geen miljoenencontracten. Zijn enige sponsor zit in Wognum, en heet Dirk Scheringa. Na zijn gouden race in Turijn kreeg Davis een aanbod van schoenenfabrikant Nike voor een contract ter waarde van 5.000 dollar. „Dat kreeg ik al toen ik tweede van de wereld was. Toen zij mij na Turijn hetzelfde boden, heb ik niet eens meer geantwoord.”

Niet dat Davis ontevreden is met het leven. „Ik geniet meer dan ooit van het schaatsen. Ik heb een paar schoenen, een paar schaatsen, een slijpsteen en een dak boven mijn hoofd. Ik heb hart voor mijn sport en ik heb talent. Meer heb ik niet nodig”, zegt hij in zijn hotel in Oranjewoud. „Ik werk hard en doe mijn best om te winnen. Als dat niet genoeg is doe ik nog meer mijn best. Als ik dan nog niet win, neem ik mijn hoed af en zeg: oké, het is aan jullie.”

Shani Davis (24), die dit weekeinde in Heerenveen voor de derde keer op rij wereldkampioen allround wilde worden, maar gisteravond door Sven Kramer op forse achterstand werd gereden, veranderde nooit veel. Sinds hij als jochie van zes begon, schaatst hij omdat hij het leuk vindt. „Niet vanwege het geld, de glorie. Niet omdat iedereen mijn naam moest kennen. Geen Hollywood. Ik wilde alleen maar een snelle schaatser zijn.”

Na zijn succesvolle campagne in Turijn veranderde wél de wereld om hem heen. Amerika eert zijn olympische winnaars. „In Amerika vinden de mensen je alleen leuk omdat je een gouden medaille hebt gewonnen, of omdat je in een grote auto rijdt. He’s hot, he’s sexy. Ik zit daar niet op te wachten. Het is onecht, vals. Als een kaartenhuis. Bij het eerste zuchtje wind valt het om. Dan zie je wat het waard is: niets.”

Hij geniet van pure sportmensen, zoals Roger Federer. „Die heeft een echte passie voor zijn sport, wil alles winnen. Als dat niet meer lukt vindt hij een weg om terug te komen aan de top, zoals toen hij een paar keer van Nadal verloor. Prachtig.”

Vooral in Nederland vindt hij de waardering die hij in eigen land mist. „Het geeft me energie als ik de fans hoor. Het is als een beloning, zeker als ik denk aan wat ik heb moeten doorstaan in Amerika, waar niemand echt geloofde dat ik speciaal ben. Ik ben helemaal onderaan de voedselketen begonnen en ben blij dat ik me naar de top kon werken. I’m a pretty good dog now. Dat voelt lekker. Ik heb meer moeten doorstaan dan de meeste andere schaatsers in Amerika. Ze wilden altijd dat ik stilletjes zou verdwijnen, mensen als [vijfvoudig olympisch kampioene] Bonnie Blair. En toen ik wereldkampioen werd, hoorde ik van dezelfde mensen: Oooh, we love Shani. Ik denk dan: rot op, ik weet dat je dat niet meent. Lieg niet. Doe niet alsof we nu vrienden zijn, dat zijn we nooit geweest.”

Na de Spelen van Turijn nam Davis bewust gas terug om te voorkomen dat hij straks opgebrand is. Hij ging studeren: Frans en Mexicaanse geschiedenis. „Mexico is een deel van Noord-Amerika. Als je de geschiedenis van dat land kent, begrijp je meer van de problemen die we nu in Amerika hebben. Bijvoorbeeld met de olie. Verder had ik graag Nederlands gestudeerd, maar dat kon niet. Het werd Frans. Prachtige taal.”

Ondertussen vond Davis een nieuw huis in Chicago, waar hij met zijn moeder jarenlang woonde in een appartement „dat kleiner was dan de meeste hotelkamers”. Het deed hem pijn om zijn moeder daar te zien. „Vanaf mijn jeugd heb ik geen eigen voordeur gehad. Daarom koop ik geen juwelen of dure auto’s. Ik heb mijn geld verstandig geïnvesteerd.” Zijn nieuwe huis heeft twee slaapkamers en twee badkamers, vertelt hij trots. „Aan het meer, met een privéstrand erbij.”

Maar Davis zelf brengt de meeste tijd door in Calgary, in Canada, waar hij sinds jaar en dag traint. De Amerikaanse schaatsfederatie mijdt hij zoveel mogelijk. Bovendien heeft hij een hekel aan Salt Lake City. „De baan ligt in de middle of nowhere. Het is saai. Calgary is veel leuker en minstens zo snel.” Met het oog op Vancouver 2010 zijn de Canadezen minder gastvrij ten opzichte van buitenlandse schaatsers. Davis ruilde de sterke trainingsgroep van coach Marcel Lacroix noodgedwongen in voor een groepje sprinters rond Kevin Crockett. „Het was een beetje een gevaarlijke situatie. Ik had het gevoel dat ik alles zou kunnen kwijtraken wat ik de afgelopen jaren had opgebouwd. Aan de ander kant kan een nieuwe coach helpen, iemand met frisse ideeën, onorthodox. Dankzij Kevin heb ik dit jaar aan snelheid gewonnen.”

Davis kan niet uit de voeten met een coach die tegelijkertijd een van zijn concurrenten begeleidt. „Je hebt iemand nodig die absoluut wil dat jij wint en niemand anders. Ik heb die les op een harde manier geleerd. Bij de WK van 2004 in Hamar werden Chad Hedrick en ik beiden gecoacht door Tom Cushman. Voor de tien kilometer had ik negen seconden voorsprong op Chad, meer dan ooit. Ik zag hoe Tom hem coachte in de rit voor mij. Ik dacht: wow! Chad reed een geweldige tien kilometer. Toen ik ging rijden, wees hij alleen met zijn vingers naar beneden of omhoog. Waar was het enthousiasme waarmee hij Chad begeleidde? Dat miste ik.” Hedrick werd wereldkampioen.

De voorkeur van Cushman lag voor de hand, zegt Davis. „Ik was een Amerikaan die in Calgary trainde. Chad kwam uit Salt Lake City, net als Cushman.” In andere landen is het volgens hem anders. „Ik denk dat Nederlandse coaches, zoals Gerard Kemkers, willen dat een Nederlander wint, het maakt niet uit wie. Hij geeft iedereen honderd procent.” Toch zou Davis niet in een ploeg als TVM of DSB willen schaatsen. „Ik heb mezelf geleerd in mijn eentje te werken. Je bent helemaal alleen daar op het ijs. Als je moe wordt tijdens een race, wie gaat je dan helpen? Niemand.” Ironisch genoeg heeft hij speciaal voor dit WK weer Cushman laten invliegen. „We hebben het uitgepraat. Ik begrijp ook best dat hij liever had dat Chad won. Hij is ook maar een mens. Bovendien heeft hij me een jaar later op het WK in Moskou geholpen en me zelfvertrouwen gegeven. Ik ben niet rancuneus.”

De wereldrecordhouder op de 1.000 en 1.500 meter geniet ondertussen van de concurrentie in de top. Hij ziet het niveau tot steeds grotere hoogten stijgen. „Er is veel competitie op het WK. Wij stuwen elkaar allemaal op. Zonder Fabris zou Kramer nooit zo hard hebben geschaatst op het EK. Natuurlijk kijk ik in het seizoen naar de tijden van anderen. Ik doe mijn huiswerk.” Kansloos voelt hij zich nooit, ook al ziet hij vooral Kramer steeds sterker worden. „Hij heeft zijn potentiële kracht nog niet bereikt. Dat is beangstigend. Hoe oud is hij, twintig? Hij zal nog sterker worden, een vijf kilometer in 6.05 kunnen rijden. Dat zou heel cool zijn.”

Davis voelt zich steeds beter thuis in Nederland. „Mensen beginnen me steeds meer te waarderen. Ik heb tegen mijn moeder gezegd dat ik hier graag zou willen wonen. Het is mooi hier. Ik heb het best naar mijn zin in Noord-Amerika en als iets niet stuk is, moet je het niet willen repareren. Maar als ik niet meer mag trainen in Canada, dan kan het zo zijn dat ik gedwongen ben iets anders te proberen. Als het moet, dan doe ik het.”

Voor de Amerikaanse schaatsers is het er niet makkelijker op geworden, vindt Davis. Hij richt zijn pijlen vooral op de oude toppers, die elk olympisch seizoen nog even een graan van de roem meepikken. „Twintig jaar na hun glorietijd zitten ze nog steeds met hun hand in de koektrommel. Hun tijd is voorbij. Die oude schaatshelden zijn net wolken, zoals Bonnie Blair, Dan Jansen en Eric Heiden. Ze houden de zon tegen. Het gras beneden kan daardoor niet groeien. Bonnie Blair praat nog steeds als een gek in de krant. Jansen en Heiden, precies hetzelfde.”

Davis wijst op de Spelen van Salt Lake City (2002). „Niemand kende Derek Parra, Joey Cheek, Kip Carpenter, Casey FitzRandolph. Dus deed Bonnie Blair haar cape om en schoot de schaatsers als Superman te hulp. Toen deed Dan Jansen ook zijn cape om. Vervolgens sprong Eric Heiden achterin het Batmobiel. Deze mensen doen niets meer voor de schaatssport, ze hebben nooit op klapschaatsen gestaan. Get the hell out of here! Zo denk ik erover. Als ze kwamen helpen om de sport te ontwikkelen, oké. Zoals bijvoorbeeld Peter Mueller al jaren doet. Maar ze kunnen alleen maar nemen, nemen, nemen. Ga weg, ga je eigen leven leiden. Waarom blijven jullie rondhangen zonder iemand te helpen, als jullie medailles willen? Ze helpen alleen zichzelf. Ik kan het zeggen, want ik heb het gezien. Oké, het waren grote schaatsers, maar het is nu 2007. Hun successen zijn twintig jaar geleden! Let it rest! Ik vind het zielig. Maar dat is Amerika, wij laten het gebeuren. Het Amerikaanse publiek is te stom om in te zien dat dat toen was, maar we leven nu.”

En dan, waarschuwend: „Als jullie mij ooit zo betrappen, over twintig jaar, trek dan zo’n grote, zware houten Nederlandse klomp aan, en geef me een schop onder mijn kont. Get the hell out of here, je bent verleden tijd.”

    • Maarten Scholten
    • Rob Schoof