Er zijn nog begaafde polemisten. Maar ze lijken niet op Hermans.

Het unieke, altijd polemische leven van W.F. Hermans is niet voor herhaling vatbaar. En zijn unieke oeuvre nog minder.

Jan Blokker

Schrijver en columnist van nrc.next,eerder van de Volkskrant. Hij schreef samen met zijn zoons Jan jr. en Bas ‘Het vooroudergevoel – De vaderlandse geschiedenis, met schoolplaten van Johan Herman Isings’ en ‘Er was eens een God – Bijbelse geschiedenis’.

Als je het heel strikt neemt, en polemiek ziet als de letterkundige bezigheid waarin schrijvers elkaar op schrift de hersens inslaan, dan zou een discussie over de rol en de betekenis van Willem Frederik Hermans in dat genre misschien nog vier jaar moeten wachten. Naar verluidt zal de Bezige Bij, halverwege haar ondoorgrondelijke operatie Volledige Werken, immers pas in 2011 toe zijn aan deel 16, waarin eindelijk alle Mandarijnen op Zwavelzuur, inclusief de supplementen, zullen zijn verzameld. Dan pas kan iedereen die genoegen schept in literaire moord en doodslag nog eenmaal zijn leedvermakelijke hart ophalen. Van Menno ter Braak tot Adriaan Morriën, van Jacques Gans tot J.B. Charles en van Garmt Stuiveling tot Victor van Vriesland zullen alle slachtoffers nog eens voorbij komen – niet één meer in leven, maar nog vóór Onze-Lieve-Heer ze tot zich had geroepen, had Hermans ze al onsterfelijk gemaakt.

Tot de Mandarijnen er zijn zullen we ons in de categorie ‘beschouwend werk’ eerst moeten behelpen met deel 12, waarin zijn ondergebracht de Boze brieven van Bijkaart, en de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud.

‘Hermans geselt het verre vaderland vanuit Parijs’, heeft de uitgever verlekkerd op een wikkel van deel 12 laten afdrukken – maar dat is, zoals elke reclametekst, bezijden de waarheid, om niet maar meteen te zeggen gejokt. In de Bijkaartbrieven geselde Hermans ternauwernood. Van de ruim driehonderd kortere of langere bijdragen die hij tussen 1973 en 1979 aan Het Parool leverde, bestaat meer dan 95 procent – ik heb ’t geturfd – uit half en half tijdloze opstellen en mini-essaytjes waar Het Parool ook vandaag nog alle eer mee zou inleggen, maar die zelden polemisch zijn.

Je vraagt je dus af of die beperkte definitie van ‘polemiek’ eigenlijk wel helemaal op Hermans van toepassing is. Toen hij met z’n Bijkaartcolumns begon, had hij net ontslag genomen in Groningen, dus alles wat direct of indirect had te maken met de universiteit die hij tot z’n laatste snik zou blijven haten, kon een veeg uit de pan verwachten. Maar die uitvallen waren altijd eerder op een persoonlijke manier kwaaiig en onverzoenlijk dan polemisch in de strikte zin van het woord. Ook als hij een stukje wijdt aan de marxistische historicus Ger Harmsen die net in datzelfde Groningen is benoemd tot hoogleraar in de ‘dialectische en Oost-Europese filosofie’, lijkt de afrekening meer met ‘Groningen’ in het algemeen dan met Harmsen in ’t bijzonder te maken te hebben. Het touché is er niet minder messcherp om. Na een paar buitengewoon wollige en bijna onbegrijpelijke filosofenzinnen uit een boek van Harmsen te hebben geciteerd, concludeert Hermans:

„Het recept om dergelijk proza voort te brengen luidt: neem een op houthoudend papier gedrukte editie van Das Kapital, maal ’t fijn en prop het zaagsel lepel voor lepel naar binnen.”

Dat was een onvervreemdbare mandarijnenzin. Maar het is het over 450 pagina’s Bijkaart in feite de enige.

Ook in de stukken die hij verzamelde voor Houten leeuwen domineert de beschouwelijkheid die niet meteen op polemiek uit is. We lezen mooie karakteristieken van half vergeten Nederlandse schrijvers als De Schoolmeester, Van Deyssel, Oudshoorn en Jacob Israël de Haan, of pleidooien voor een Nederlandse taal die niet door spellingshervormers wordt gedicteerd: allemaal kleine opstellen, of columns of ingezonden brieven, maar dan van een niveau dat je nog altijd elke dag op vaderlandse opiniepagina’s zou wensen.

Maar weer geen echte polemiek, dat wil zeggen: op twee plaatsen na. Onder het kopje ‘Heldendaden en Landverraders’ selecteerde Hermans alvast drie artikelen over Weinreb, die toen, in 1979, langzaam maar zeker – met de hele hofhouding achter zich aan van Renate Rubinstein, Aad Nuis en hun vele meelopers – haast een ware nagel aan zijn doodkist was geworden.

Aan het eind van de bundel Houten leeuwen had hij bovendien nog het beroemde of zo u wilt beruchte stuk opgVenomen over de dagboeken van Cees Budding’ en die kritiek had weer een geselgehalte dat in de Mandarijnen niet had misstaan. Maar ook Vzij was ogenschijnlijk weer één enkele uitzondering op de opzet van de bundel.

Ik zou nog vooruit kunnen lopen op andere bundels met ‘beschouwend proza’ die Hermans na de Boze brieven en de Houten leeuwen publiceerde, en die naar verluidt tussen 2008 en 2010 – dus allemaal nog vóór het moment suprême van deel 16 – in de Volledige Werken zullen verschijnen. Ook daarin wemelt het van schitterende kleine opstellen – over Balzac, Flaubert, De Maupassant, Nietzsche, Kafka, Schopenhauer, Popper, het surrealisme, vaak Multatuli, maar ook van reportage-achtige impressies van het net voltooide Centre Pompidou of het pas geopende Musée d’Orsay . En alleen op je zou bijna zeggen onbewaakte ogenblikken schiet zijn pen als het ware even uit, en meldt hij in een kleine column over ons imago in de buitenwereld bijvoorbeeld, dat Franse radio-en televisieverslaggevers niet beter weten of de Nederlandse minister-president Joop den Uyl heette Dzjoep de Nul – waarbij hij de verbastering even zorgvuldig als pesterig uitspelt.

Had hij – in de beperkte definitie – alleen maar polemische ‘buien’? Het was natuurlijk erger, of laten we deftiger zeggen: het was fundamenteler.

Misschien is het overdreven om – vanwege het Griekse polemos – de polemische kanten bij Hermans als blijken van oorlogszuchtigheid te duiden. Onvrede volstaat. En er is om een pleonasme te gebruiken, geen amateurpsychologie nodig om vast te stellen dat onvrede in de biografie van Hermans bijna een constante is. Onvrede met het ouderlijk huis, met de school, met veruit de allermeeste van zijn schrijvende collega’s, met uitgever Oorwurm, en op het nippertje net niet met uitgever Geert Lubberhuizen (maar het vereiste ook bijna iets onmenselijks om daar ruzie mee te krijgen), met Groningen, met de hysterische aspecten van de Nederlandse jaren zestig, dus met de zogenaamde studentenrebellie, met het oninteressante en meestal domme linksisme, met Dzjoep de Nul, met Weinreb, en alles wat die vertegenwoordigde en wat er aan verblindheid om hem heen hing.

Als je het uiten van onvrede een vorm van polemiek wil noemen, en je verlaat het bloeddorstige idee dat polemiek altijd met zweepslagen en ander vVerschrikkelijk spektakel gepaard zou moeten gaan, dan kun je zeggen dat het hele oeuvre van Hermans polemisch was – dat zijn polemiek als het ware totaal is geweest. We komen haar niet alleen tegen in de Mandarijnen, niet alleen in de zes of (als ik de twee delen Sadistisch universum meetel) acht bundels beschouwingen, maar ook in alle romans. Van Ik heb altijd gelijk via

De donkere kamer van Damocles tot aan Onder professoren wordt uit een onmiskenbare onvrede niet alleen met toevallige individuele tegenstanders afgerekend, maar met hele wereldbeelden, of ideologieën, of samenlevingen. Niet voor niets wordt de individuele tegenstander Hugo Brandt Corstius in de titel van de laatste bundel beschouwingen verheven tot een onwelgevallig verzamelbegrip. Malle Hugo is niet langer één meneer, maar een heel systeem dat tot onvrede prikkelt,

Om die reden denk ik dat er ook maar één antwoord mogelijk is op de voor vanavond gestelde vraag. ‘Is er leven na de dood van Hermans?’ Nee, zou ik zeggen. Het unieke, altijd polemische leven van Hermans is niet voor herhaling vatbaar. En zijn unieke oeuvre nog minder.

Er zijn nog wel begaafde polemisten – er staat er een naast me. Maar ze lijken niet meer op Hermans.

    • Jan Blokker