Een beminnelijke ritselaar

Zhang handelt in van alles. Nu verkoopt hij het eeuwige leven.

Kamer in Zhangs huis Foto Carolijn Visser Visser, Carolijn

Officieel had Zhang een baantje bij een staatsbedrijf, maar ik geloof niet dat hij zich daar ooit meldde. Het verkopen van gesmokkelde horloges uit Hongkong nam hem geheel in beslag. Ik ontmoette hem in 1981, toen ik voor het eerst in Peking was. Zhang was een beminnelijke ritselaar. Hij verdiende goudgeld voor die tijd.

Op een dag nodigde hij mij uit voor een feestje bij een vriend van hem thuis. Er was alleen heet water te drinken, en zelfs dat was er niet in overvloed, want het moest in een thermosfles van elders worden gehaald. Iedereen danste onwennig op Hongkongse popmuziek. Om negen uur moest het afgelopen zijn, anders zou de politie komen. Vijfentwintig jaar zijn inmiddels verstreken.

In de aardedonkere straat waar dat merkwaardige feest werd gehouden, schitteren nu een paar vijfsterrenhotels. Op de plaats waar Zhang ooit woonde, tref ik een kantorencomplex. Het is alsof ik archeologisch werk verricht. De bibliotheek waar zijn moeder werkte is afgebroken, en aan de andere kant van de stad opnieuw verrezen. Die moeder moet nu zeventig zijn, dus al jaren gepensioneerd. Toch kan ik de verleiding niet weerstaan bij de receptie naar haar te informeren. Er wordt heen en weer gebeld, ik moet even wachten. Dan rinkelt mijn mobiele telefoon. Het is Zhang. Stap in een taxi, stelt hij voor. Aan de chauffeur zal hij uitleggen waar hij zich bevindt. Een speld in een hooiberg. Nog geen half uur later bel ik bij hem aan.

Zhang is mager geworden, is het eerste dat me opvalt. Hij laat me binnen in een grote ruimte waar verschillende gemakkelijke stoelen rond een tafel staan gerangschikt. Aan de wand hangen posters waarop delen van het menselijk lichaam staan afgebeeld. Het duurt even voordat ik begrijp dat ik me in een kliniek bevind. ‘Ik heb me in de geneeskunst verdiept’, legt Zhang heftig rokend uit. Hij kan zijn patiënten elektrisch laden, hij kan de staat van hun iris analyseren met behulp van een camera en een laptop. Hij verstrekt pillen, poeders en wonderpleisters. Goedkoop is het niet om hem te consulteren. ‘Alleen de elite kan zich mijn diensten veroorloven.’ Hij laat me foto’s zien van Pekinese filmsterren en andere beroemdheden die hun lot in zijn handen leggen. ‘Alles kan ik genezen’, bezweert Zhang me. ‘Ook kanker en aids.’ En mooier nog; hij weet hoe je de gemeenste kwalen voor kunt zijn. Daarom kloppen vooral mensen die gezond willen blijven, bij hem aan. Nu is het even rustig in de zaak. Zhang kan niet voorspellen wanneer de patiënten komen. Soms midden in de nacht, hij is vaak 24 uur per dag in touw.

Ik krijg een verontrustend groen brouwsel voorgezet. We spreken over de vervlogen jaren. Een paar jaar nadat we elkaar hadden ontmoet, was Zhang gearresteerd. Iemand had hem aangegeven, vermoedde hij. Op dat moment had hij veel geld op zak, om een lading nieuwe horloges te betalen. Hij kreeg zes jaar voor corruptie. ‘Ze wilden kleine ondernemers als ik afschrikken’, zegt Zhang. ‘Ik werd als voorbeeld gesteld.’ Ik knik, in China is dat heel gewoon.

Het eerste jaar moest Zhang samen met andere gevangenen een visvijver graven. ‘Het maakte niet uit hoe hard ik werkte’, zegt Zhang. ‘Ik haalde nooit mijn quotum.’ Voor straf kreeg hij alleen dunne maissoep te eten. Hij was bang dat hij op die manier zou sterven. Toen bleek dat er zestien gewatteerde winterpakken te weinig waren afgeleverd, gaf Zhang zich op als vrijwilliger. Met naald en draad, geheel met de hand, maakte hij broeken en jasjes van de groene stof en kapok die ze hem gegeven hadden. Zo kreeg hij de rust om een list te bedenken. Hij vroeg zijn moeder een elektrisch miniorgeltje mee te brengen. ‘Daar leerde ik op spelen. Niet goed, maar er was niemand anders met zo’n ding.’

Zhang werd opgenomen in de theatergroep van de gevangenis die optrad voor bewakers en buiten de muren voorstellingen gaf met een moralistische boodschap. ‘Word niet als ons’, lacht Zhang. ‘Wees een gehoorzame burger, anders moet je lijden zoals wij.’ Om zich te verzekeren van zijn plaats in de groep leerde Zhang ook goochelen.

Alles om niet terug te hoeven naar het gebeul aan die vijver. Een jaar eerder dan verwacht kwam hij vrij. ‘Wegens goed gedrag’, besluit Zhang tevreden.

Er wordt aangebeld, een jonge vrouw komt binnen. Ik ga even naar de wc en als ik terugkom in de kamer ligt ze diep te slapen op een bank. Zhang heeft haar een medicijn gegeven, zegt hij. ‘Ze moet tot rust komen.’ Hij overhandigt mij een cadeaupakket van tandpasta die voor zeer goede nachtrust zorgt, een olie die de huid verjongt en thee die ongekende energie opwekt. Een assistent, door Zhang naar een achtergelegen vertrek gestuurd, komt terug met een foto van Zhang en mij samen. Een half leven geleden. ‘China is een totaal ander land geworden in de tussentijd’, filosofeert Zhang. De vrouw naast ons op de bank beweegt zich niet, ze lijkt wel bewusteloos. ‘Zeg dat wel’, stem ik met hem in. ‘Vroeger waren jouw klanten blij met een digitaal horloge, nu verlangen ze het eeuwige leven.’ Zhang grijnst. ‘Ik ben met de tijd meegegaan. Wat de mensen vragen, kan ik leveren.’