Denken aan Sarphati

1381

Door te verhuizen kom je in nieuwe werelden. Het kan zijn dat zo’n wereld er al een paar eeuwen staat, dat je zelfs vaak aan de grens bent geweest, maar er door het toeval nooit toe bent gekomen om eens te kijken hoe het er aan de andere kant uitziet. Of het is een volkomen nieuwe wereld, nog min of meer in aanbouw terwijl je daar als een van de eerste bewoners begint rond te snuffelen. Dit jaar was nog geen maand oud toen ik zowel een oude als een nieuwe wereld ontdekte.

De Amsterdamse redactie van deze krant is verhuisd, van de Herengracht vlakbij het Thorbeckeplein naar de Jacob Bontiusplaats, bijna aan het einde van de Czaar Peterstraat, niet ver van het spoor tussen het Centraal Station en het Muiderpoortstation. Van een onherkenbaar gerenoveerd huis uit de Gouden Eeuw naar een hyperkolos in het laatste stadium van voltooiing. Om daar te komen moet je lijn 10 nemen. En hoewel ik al meer dan een halve eeuw in Amsterdam woon, had ik nog nooit in lijn 10 gezeten, laat staan dat ik ooit in de Czaar Peterstraat was geweest.

Iedere nieuwe tram is een avontuur op zichzelf. Instappen halte Weteringplantsoen en dan eerst naar het Frederiksplein. Altijd weer een weldaad voor het oog, deze stadsuitbreiding uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Ik kijk naar De Nederlandsche Bank en denk aan het Paleis voor Volksvlijt, afgebrand in 1929, en aan de Galerij eromheen, gesloopt in 1960. Een daad van barbaarsheid die je van Ceausescu zou hebben verwacht (zoals Rudy Kousbroek heeft geschreven). Een paar jaar geleden heeft Wim T. Schippers een stichting, of een club of een pressiegroep opgericht, die ernaar streeft het Paleis met alles wat erbij hoorde te herbouwen. In principe is Nout Wellink, directeur van de Bank, het ermee eens, maar er zijn praktische bezwaren.

Lijn 10 rijdt verder door de Sarphatistraat, langs het Amstel Hotel; behalve het idiote serretje dat aan de kant van de rivier is gebouwd, nog altijd in zijn oorspronkelijke staat. Tegenover de entree, aan de andere kant van het Professor Tulpplein, zijn in de loop der jaren onherstelbare verwoestingen van geringer orde aangericht. Daar praat niemand meer over. We zitten in lijn 10 en we hebben intussen het Weesperplein achter ons gelaten. Kijk nu naar rechts, let goed op, daar staat een van de mooiste negentiende-eeuwse huizen van de hoofdstad. Zo’n gevel zou je in Brussel, Parijs, Boedapest, Odessa verwachten. Boven het entree staat HOTEL. Jaren geleden stond er STILTON HOTEL. Een paar ramen zijn bedekt met zeildoek, ook al jaren. Verwaarlozing, verwaarlozing, mompelt de gevel. Ook blijkbaar niets aan te doen.

In grote lijnen heeft dit traject van de Sarphatistraat zijn oude waardigheid behouden. En dan komen we aan het militaire gedeelte, ook weer rechts. KAVALLERIE KAZERNE. En dan zegt de automatische omroeper die de volgende halte aankondigt: Alexanderplein. Wat een opmerkelijke tramomroeper hebben we in Amsterdam. Als hij Leidseplein zegt, denk je dat hij op het punt staat te gaan huilen. Overtoom klinkt diep klagelijk. Nu kwam ik in nieuwe gebieden. Ten noorden van de Muiderpoort, moet ik nu bekennen, was ik nog nooit geweest. Rechts de Oranje Nassau Kazerne. Daar komt geen eind aan! Wat een krijgshaftig volk zijn we geweest! De omvang van dit gebouw rechtvaardigt een paar uitroeptekens! Alle mensen! Nu zijn er bedrijfjes gevestigd. En dan hebben we het einde van de Sarphatistraat bereikt. De tramomroeper zegt, nu met gedempte stem, alsof hij een geheim vertelt: Hoogte Kadijk.

Eindelijk komt de Czaar Peterstraat in zicht. Nog één keer de tramomroeper: Tweede Coehoornstraat. Plotseling was het alsof ik de stem van Gerard Cornelis van het Reve hoorde. De associatie ging verder. Natuurlijk zijn ook hier grote stukken tot baksteen zonder verleden gerenoveerd, maar hoe verder je komt, hoe sterker de indruk dat je niet zozeer de negentiende eeuw als wel De avonden binnenrijdt. De eerste bodemloze naoorlogse treurigheid. Bij mijn halte van bestemming is een coffeeshop. Die heet Nogal Wiedes. Er is ook een café: Juist. En op de hoek van een zijstraat een kruidenierswinkel met door doek afgedekte ramen. Wegens omstandigheden gesloten. Ik voelde me omvat door een dierbare melancholie. De tijd had stilgestaan.

Zo bereikte ik ten slotte voor het eerst van mijn leven de Jacob Bontiusplaats. Deze Bontius, die eigenlijk Bondt heette, dat heb ik opgezocht, was een verdienstelijke chirurgijn, in Batavia gestorven toen hij veertig was. Hij heeft boeken over geneeskrachtige kruiden geschreven. Dat mag niet onvermeld blijven. Maar dit stukje is vooral bedoeld om nog eens eer te bewijzen aan Samuel Sarphati zonder wie de grotestadsarchitectuur van de negentiende eeuw grotendeels aan Amsterdam voorbij zou zijn gegaan. Laten we nu eindelijk de Plantagebuurt, de Weesperzijde en wat er verder bijhoort, tot monument verklaren; en de herbouw van het Paleis voor Volksvlijt aanpakken. Keihard, zoals we tegenwoordig zeggen.