De polemist verraadt zijn eigen zwakte. Zijn obsessies zijn onthullend

Een polemiek is een supermarkt waar de lezer met zijn karretje ingaat om eruit te halen wat hij nodig heeft. In Nederland zijn de polemieken leeg als een levensmiddelenzaak in Polen ten tijde van Jaruzelski.

Arnon Grunberg

Schrijver en dichter. Zijn meest recente boeken zijn ‘De asielzoeker’ (2003) en ‘De joodse messias’ (2005).

Deze zomer verklaarde Marcel Möring in Vrij Nederland: „Nooit heb ik iets gezien in die verheerlijking van de polemiek, nog altijd geïnspireerd op Hermans’ Mandarijnen op zwavelzuur. Daar vond ik al niet veel aan. Waar Hermans zijn aandacht niet aan verspilde, zeg.”

Een paar maanden later beweerde Möring in deze krant dat „iedereen een succesvolle roman kan schrijven die bestaat uit drie delen – een begin, een midden en een eind, zoals de Engelse schrijver Ford Madox Ford het formuleerde.”

Waaraan Möring zijn aandacht verspilt is inmiddels genoegzaam bekend.

Tijdens het drinken van een goed glas wijn fluisterde de schrijver Cees Nooteboom een paar jaar geleden in mijn oor dat hij niet goed begreep dat Hermans in Parijs Nederland zo nauwgezet in de gaten had gehouden. Om daar snel aan toe te voegen dat hij, Cees, niet zo van polemiek hield en er eigenlijk ook geen talent voor had.

Begrijpelijk dat je niet zo houdt van dingen waar je niet het minste talent voor hebt, maar dat levert toch een beetje een beperkte kijk op de wereld op. Ik heb weinig talent voor koken, maar ik heb veel waardering voor mensen die dat wel kunnen en meestal ook voor de door hen bereide maaltijden.

Over de kwaliteit van Mandarijnen op zwavelzuur hoef ik het hier niet te hebben. Slechts een klein citaat (inclusief typefouten), dan kunt u de rest zelf lezen:

„Ik predik het complete défaitisme, om op alles voorbereid te zijn.

Ik verkondig de absolute misanthropie, zonder waardigheid, zonder moraal.

Wanneer het ooit tot een Russische bezetting komt, best mogelijk dat ik de eerste ben die collaboreert. Ik zegt het liever nu, ronduit van te voren.

Want ik zou niet weten wie een vinger voor mij zou uitsteken als ik het niet deed. Ik weet wat er van vrienden te wachten valt!

Maar dat betekent allemaal niet dat ik nu al zó volledig verslagen ben, dat ik nú al bereid moet zijn mij door iedereen te laten bedriegen.”

Tot zover Hermans en nu zijn navolgers voor wie hijzelf al het meeste vreesde getuige het motto dat hij zijn Mandarijnen meegaf: „Ik huiver bij de gedachten aan de idioten die mijn manier zullen navolgen.”

Het is moeilijk om het fulmineren van Komrij tegen Teun A. van Dijk als een hoogtepunt in Komrij’s oeuvre beschouwen. U zult waarschijnlijk niet meer weten wie Teun A. van Dijk was, en dat is maar beter ook.

Zeker, Komrij heeft lang geleden een inmiddels vergeten televisiepresentator met een sprekend broodrooster vergeleken (of een sprekend tosti-ijzer, daar wil ik vanaf wezen) en omdat men toen nog niet massaal meende te moeten zeggen wat men dacht, zorgde deze vergelijking voor beperkte opschudding.

Wat precies het hoogtepunt in Komrij’s oeuvre zou zijn, is niet geheel duidelijk. Zijn romans zijn het niet, zijn essays evenmin vrees ik. We doen er goed aan ons Komrij te herinneren als een vlijtige bloemlezer. En het was natuurlijk moedig van hem om Shakespeare te vertalen zonder het Engels machtig te zijn.

Ook de jarenlange polemiekjes tussen Theo van Gogh (over de doden uiteraard niets dan goeds) en Hugo Brandt Corstius kunnen hier niet onvermeld blijven. Vrijwel niemand heeft die polemiekjes gelezen, en de lezer die dat wel zou gaan doen, zou schrikken. Laat ik hier volstaan met de opmerking dat zij die in de openbaarheid treden met hun schrijfsels niet te lang zouden moeten teren op half vergane reputaties.

En dan hebben we nog Jan Blokker: de grote ironicus uit de jaren zeventig, die tegenwoordig voornamelijk ironische voetnoten plaatst bij voetnoten die geheel uit zichzelf al ironisch waren. Blokker doet me denken aan iemand die een aanloop van vijfhonderd meter neemt om over een drempel van een halve centimeter te springen.

Er zijn uitzonderingen. Het ironische van de ironie van Harry Mulisch is een uitstekend boekje en een intelligent antwoord op Gerard Reve. Helaas geeft de hedendaagse lezer de voorkeur aan het zogenaamde magnum opus van Mulisch.

Frans Kellendonks analyse van de anglistiek van Nederland is zeer vermakelijk, ook voor hen die de boeken in kwestie niet gelezen hebben en de personen in kwestie niet kennen.

Niettemin zijn er goede redenen je verre te houden van wat in Nederland polemiek heet te zijn.

De gedachte heeft postgevat dat de redenering ad hominem het Eins und Alles is van de tirade.

Anders dan de overlevering wil, bediende Hermans zich nauwelijks van dergelijke redeneringen. Gerard Reve (toen nog G.K. van het Reve) werd de „grootste kenner van kaalhoofdigheid in ons land” genoemd. Maar dat mag geen naam hebben. En over het werk van Adriaan Morriën merkte Hermans op: „Zelfs geslachtsziek worden is een feestelijke gebeurtenis in zijn verhalen.” Dit is veeleer een feit en – Hermans kon zich ook weleens vergissen – niet eens zo’n schandelijk feit. Ik zou geen boek ongelezen willen laten omdat de hoofdpersoon toevallig zijn geslachtsziekte met een vrolijke gelatenheid tegemoet treedt.

Dan is er de hardnekkige kwaal van de nazivergelijking. Het argument ad hominem bestaat in de regel uit de koppeling van de tegenstander aan iets of iemand uit de nazitijd. Eichmann, Mengele, een NSB-burgemeester: u hebt ze allemaal tot vervelens toe voorbij zien komen.

Helaas is dit een traditie in Nederland. Bertus Aafjes schreef dat hij bij Lucebert het gevoel kreeg dat de SS de poëzie was binnengemarcheerd.

Ik vrees dat de nazi’s bij gebrek aan alternatieven als het absolute kwaad worden gezien. Pedofielen symboliseren tegenwoordig ook het absolute kwaad. Het wachten is op de Dutrouxvergelijking, maar ik heb de indruk dat het grote publiek al een beetje vergeten is wie Dutroux ook alweer was, dus het wachten op die vergelijking zou wel eens lang kunnen gaan duren.

Aangezien wij leven in tijden van mediatraining weten ook minder snuggere schrijvers dat de mensen niet houden van agressie en polarisatie. Polemiek is slecht voor de verkoop. De lezers geven de voorkeur aan schrijvers die uitsluitend hun hart luchten als ze onder elkaar zijn in een kroeg; in het openbaar dienen ze te zwijgen.

Literatuur wil allang niet meer de hypocrisie en de leugens van de burgerlijke samenleving ontmaskeren, zij wil voor alles gezellig en knus zijn.

En sommigen, het moet gezegd, zijn erg goed in vrome leugens.

Kort na de verschijning van Blauwe maandagen kwam Adriaan van Dis in Antwerpen op mij toegesneld. „Wat heb ik genoten van je boek”, riep hij, „wat was het mooi!”

Zes jaar later zagen wij elkaar weer in Tokio. Wij gingen naar een café dat vroeger een bordeel was geweest. Halverwege de avond greep Adriaan van Dis me bij de schouder: „Ik heb nog nooit iets van je gelezen, maar dat ga ik nu toch echt doen.”

Niettemin heb ik een groot zwak voor de mens Adriaan van Dis: zo charmant krijg je vrome leugentjes zelden voorgeschoteld.

De schrijvers, vooral die van na de Tweede Wereldoorlog, zijn verwende kleuters die bij het minste geringste schrammetje naar hun juffie rennen.

Dat ze kleuters zijn heeft Thomas Rosenboom scherp opgemerkt. Heeft hij tenminste één ding scherp opgemerkt.

Ergens in het jaar 2000 kreeg ik een e-mail van Joost Zwagerman. Altijd als ik me afvraag wat er nu precies Nederlands is aan de Nederlandse literatuur, denk ik aan Joost Zwagerman. Enfin, ik beantwoordde die mail en toen kwam er nog een mail van Joost. Die weer door mij werd beantwoord, enzovoorts.

Kort daarop ontving ik een mail van mijn uitgever, Vic van de Reijt. Joost Zwagerman had zich bij hem beklaagd over mijn mails. Ik zou zijn zoons hebben bedreigd. (Niets is overigens minder waar. Ik had hooguit gesuggereerd dat Joost zich tijdig had moeten laten steriliseren, omdat voortplanting in zijn geval een misdaad tegen de menselijkheid was. Geen briljant argument. Maar in briefwisselingen die niet direct voor de openbaarheid bestemd zijn, mag je je retorisch gezien laten gaan.)

De polemist verraadt zijn eigen zwakte. Zijn obsessies zijn onthullend. Nergens is Hermans zo onzeker en kwetsbaar als in de Mandarijnen. Dat boek is zo warm menselijk dat daarbij vergeleken het gehele oeuvre van Gerard Reve steriel en koud aandoet, inclusief alle passages over en opgedragen aan de maagd Maria.

Agressie verraadt de onzekere positie van de agressor. Macht die je hebt moeten gebruiken – als agressie macht zou kunnen zijn – is onmacht.

Jonge schrijvers zou ik adviseren: niet polemiseren. Niet reageren. De mensen hebben geen idee waarop je reageert.

En toch, achter de onwil tot polemiek, hoeveel goede argumenten daarvoor ook voorhanden zijn, gaat werkelijke malaise schuil.

Voor de verkiezingen riep de heer Balkenende in een boekje het symbool van de intelligentsia in Nederland, Harry Mulisch, op tot meer betrokkenheid. Het antwoord van Mulisch liet niet lang op zich wachten. In een gesprek met Elsbeth Etty voor deze krant verklaarde Mulisch zich vooral zorgen te maken om de dieren.

Een dag of tien geleden had Heldring het over de zelfmarginalisering van Nederland.

Zelfmarginalisering geldt in Nederland nog altijd als het neusje van de zalm, en de schijnbare onkwetsbaarheid die de zelfmarginalisering oplevert, is het hoogst haalbare.

Denk ook aan al die mensen die de afgelopen jaren hebben verklaard dat je in Nederland niet meer alles kunt zeggen: een makkelijk excuus voor zelfcensuur, een gezapige verklaring voor de zoveelste samenzweringstheorie.

Een polemiek is een supermarkt waar de lezer met zijn karretje ingaat om eruit te halen wat hij nodig heeft. In Nederland zijn de polemieken leeg als een levensmiddelenzaak in Polen ten tijde van Jaruzelski.

Wat blijft is de ironie dat wij kunnen lachen om hen die de grap niet begrepen hebben.

Wat blijft is koddigheid.