De Goudstikkercollectie had beter in bezit van de musea kunnen blijven

Twee advocaten voor Goudstikker wilden voor slechts 60,5 procent rechtsherstel, ziet Maarten Huygen.

In de houten banken voor de Haagse kortgedingrechter telde ik woensdag zes advocaten – een muur van toga's. Ook hún rekeningen worden afgetrokken van de opbrengst van een gedeeltelijke veiling van de collectie Goudstikker. De Nederlandse staat geeft die in naam aan de Amerikaanse schoondochter van de verongelukte joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, maar in werkelijkheid aan een industrie van advocaten, adviseurs en kunsthandelaren.

Een commissie voor restitutie heeft een jaar geleden teruggave geadviseerd, hoewel de claim allang was verjaard. De schoondochter zou een moreel recht hebben op de verzameling. Maar nu de waarde wel 85 tot 100 miljoen euro bedraagt, komen er grote claims van degenen die de schoondochter hielpen om de erfenis te verkrijgen.

Misschien dat de geschonken collectie Nederland niet eens mag verlaten want het eerste beslag op de schilderijen is al in aantocht. In de zaak die ik bijwoonde, eist de ervende schoondochter van haar vroegere advocaat jhr. mr. R van Holthe tot Echten om van het beslag af te zien. Die heeft drie collega’s in de arm genomen om zekerheid te krijgen voor een honorariumclaim van 15,6 miljoen euro tegen de ervende schoondochter, zijn voormalige cliënte.

Vorig jaar verdedigde Van Holthe vurig het recht op herstel van schade uit de oorlog. Maar samen met zijn collega prof. mr. H.M N. Schonis had hij 39,50 procent van de opbrengst voor zichzelf gereserveerd, ieder 19,75 procent. Kortom, de advocaten wilden het recht slechts voor 60,5 procent herstellen. Een quota pars litis (deel van de buit) voor in dit geval 5.800 uur advocatenwerk is in Amerika gebruikelijk maar in Nederland verboden. Misschien mag het wel bij een restitutiecommissie die op grond van de moraal oordeelt.

Advocaat Schonis heeft inmiddels een schikking getroffen voor meer dan 2,6 miljoen euro. Van Holthe kreeg slechts 1,3 miljoen aangeboden door de ervende schoondochter die – omdat ze van alle kanten wordt leeggeplukt – plotseling de Nederlandse beloningsregels wil volgen en op haar toezegging van 19,75 procent is teruggekomen. Ik hoorde een vrouw op de tribune verontwaardigd snuiven toen een advocaat Van Holthe als de mindere partner van Schonis omschreef.

Van Holthe is bezorgd dat het legertje Amerikaanse advocaten en onderzoekers voor de Goudstikkerzaak ook claims gaat leggen op schilderijen die in Nederland als zekerheid achterblijven, zodat er weinig voor hem rest. Zij zijn niet de enige mee-eters. Boven aan de voedselketen van teruggegeven kunst zitten kunsthandelaren. Christie’s in New York haalde eind vorig jaar een record van een half miljard dollar op één dag. Sommige rijke New Yorkse kopers nemen het zelf niet zo nauw met de herkomst van hun bezit. Er is sprake van een megaoverdracht van Europese kunst aan Amerika. Duitse museumdirecteuren zijn gealarmeerd omdat ze moeten bewijzen dat de schilderijen die ze bezitten niet zijn geroofd, maar na zoveel jaar ontbreken vaak documenten. Om zulke problemen te voorkomen is de verjaring uitgevonden. Maar nu hoeven erfgenamen alleen nog te stellen dat de verkoop door hun joodse grootouders ‘onder druk’ is geschied.

De Goudstikkerclaim is deels een geval van verkoop onder druk. Zeker, het onrecht is gedetailleerd onderzocht, maar het is deels hersteld, en dat geldt niet voor de meeste oorlogsslachtoffers. De joodse kunsthandelaar, Jacques Goudstikker, vluchtte in 1940 met vrouw en zoontje naar Engeland. Onderweg brak hij zijn nek bij een val in het scheepsruim. Zijn kunsthandel werd buiten de wil van zijn weduwe doorverhandeld aan een Duitser. Rijksmaarschalk Göring kocht een paar honderd schilderijen. Na de oorlog kwamen de schilderijen terug en de berooide Nederlandse overheid nam ze in bezit als compensatie voor de plundering.

In 1952 tekende de weduwe van Jacques Goudstikker onder protest een akkoord met de Nederlandse overheid, waarbij zij een deel terugkreeg. Zij had toen liever baar geld dan schilderijen die in die armoedige opbouwtijd weinig waard waren. Een ruimhartig akkoord was het niet. Maar miljoenen Europeanen die in de oorlog al hun have en goed hadden verloren of voor een habbekrats moesten verkopen, kregen niets terug. Er was weinig te verdelen. Voor die vergeten historische context is geen begrip onder Amerikanen die anno 2007 oordelen en Europese landen onder druk zetten om kunstschatten uit musea te sturen.

De weduwe van Goudstikker en haar zoon Edo berustten in het verleden. Pas in 1998, na hun overlijden, kwam er een claim van de weduwe van Edo, Marei von Saher-Langenbein. Van een Nederlandse journalist hoorde ze voor het eerst over deze leuke erfenis. Persoonlijk was ze er niet bij betrokken. Zij is niet joods en evenmin oorlogsslachtoffer. Integendeel, ze komt uit Duitsland, het land van de toenmalige agressors. Dat is haar schuld niet, maar het maakt haar morele recht op teruggave niet sterker. Ze was een beroemd Duits kunstschaatster en dochter van een bekende Duitse beroepsvoetballer uit de jaren dertig. Ze werkte voor de internationale ijsrevue Holiday on Ice.

Ik vraag me af wat restitutie en eerherstel dan nog voor doel dienen. Juridisch had Marei von Saher Langenbein geen recht en moreel ook niet. Dat joden die zelf door roofbanken zijn bestolen, geld of goederen terugkrijgen, is terecht. Maar verkoop onder drukkwam veel voor, ook onder niet-joden. De rechters die de Goudstikkerclaim afwezen wegens verjaring, hadden gelijk: op een gegeven moment moet er een punt worden gezet, zeker als de betrokkenen dood zijn. Zo gaat het altijd. Als je mensen die zo ver in tijd en in verwantschap verwijderd zijn van de echte oorlogsslachtoffers genoegdoening moet geven, begint een onafzienbare keten van historische eisen en tegeneisen. Vrede ontstaat als mensen het verleden laten rusten.

Waarom alleen joodse nazaten of hun aangetrouwde verwanten vergoeden? Waarom niet ook Armeniërs, Palestijnen, Surinamers of Amerikaanse zwarten voor aan hun voorvaderen aangedaan onrecht? De claimkermis voor de Haagse rechtbank toont de zinloosheid aan.