De eerste zwarte politicus die blanken niet afschrikt

Naar verwachting maakt Barack Obama vandaag bekend dat hij president van Amerika wil worden. Hij groeide de laatste maanden al uit tot een superstar. Daarachter gaat een linkse man met een ongebruikelijk verleden schuil. Wordingsgeschiedenis van een presidentskandidaat.

Obama poseert met voorbijgangers in Washington, 16 januari 2007 Foto AFP US Democratic Senator from Illinois Barack Obama stops to pose with a family while walking to the Capitol building 16 January 2007 in Washington, DC. Obama has formed an exploratory committee for a potential bid for the US presidency in 2008. AFP PHOTO/Brendan Smialowski/Getty Images FOR NEWSPAPERS, INTERNET, TELCOS AND TELEVISION USE ONLY AFP

Barack Obama is een linkse man. De vraag is of hij niet te links is voor het Amerikaanse presidentschap. „In ieder geval”, zegt Hank de Zutter, een gepensioneerde journalist uit Chicago die Obama twintig jaar volgde, „is hij veel linkser dan hij zich de laatste tijd voordoet.”

Slechts twee Democraten bewoonden de laatste veertig jaar het Witte Huis. In beide gevallen presenteerden zij zich als kandidaat met conservatieve trekken: Jimmy Carter (1977-1981), ex-gouverneur van het zuidelijke Georgia, benadrukte in zijn campagne dat hij een born again christian was. Bill Clinton (1993-2001), oud-gouverneur van het zuidelijke Arkansas, stelde voorop dat hij een kleinere overheid en lagere uitkeringen wilde. Zo wisten zij gematigde Republikeinen aan zich te binden, en dat is volgens alle rekensommen de enige manier waarmee een Democraat kan winnen.

Maar voor Barack Obama (45) zal het lastig zijn leuke dingen voor rechtse Amerikanen te presenteren. Hij heeft bijna alleen maar standpunten die conservatieven verafschuwen: hij is voor het homohuwelijk, voor abortus, voor beperking van wapenbezit en voor steun aan illegale immigranten, et cetera. Sinds hij in 1996 senator in de staat Illinois werd, en in 2004 senator in Washington, bevond hij zich altijd op de linkerflank. Hij was al tegen de oorlog in Irak toen in 2002 het hele land nog voor was. In dit geval een groot voordeel – waarover we hem nog veel zullen horen. Maar het voorbeeld is vooral exemplarisch voor zijn positie: het gezaghebbende weekblad National Journal, dat het stemgedrag van alle politici weegt, concludeerde onlangs dat hij tot de twintig progressiefste senatoren van de VS behoort.

Dus, voordat we verder gaan: kán Barack Obama het presidentschap eigenlijk wel winnen? Als je het zo bekijkt, zegt Mike Kruglik, een goede bekende van de kandidaat die jarenlang met Obama in Chicago werkte, is dat inderdaad onmogelijk. „Maar zo móét je het niet bekijken. Politiek in Amerika gaat niet over feiten: we communicate feelings, not facts.”’

Uit het niets

Zijn ster steeg de laatste maanden ongekend snel. Sinds hij vorig najaar, bijna uit het niets, een mogelijke Democratische kandidaat voor de presidentsverkiezingen werd, kunnen de media geen genoeg van Barack Obama krijgen. Zijn biografie, zoon van een Keniaanse vader en Amerikaanse moeder, in alle opzichten een American Dream, is zo’n beetje het meest navertelde levensverhaal van het land (zie inzet). Gecombineerd met zijn black cool – bruine stem, lenig lichaam, slick and smooth voorkomen – bracht dit een ware Obamamania teweeg.

Het is een mengeling van politiek en entertainment, waarbij de aandacht voor zijn stijl de belangstelling voor zijn inhoudelijke programma verre overstijgt. Zo hebben deskundigen uitvoerig geanalyseerd waaróm Obama zo’n begenadigd spreker is – want waar hij ook komt: de zaal valt voor hem. Terwijl alle Amerikaanse politici volgens de wetten van de reclame in punchlines zijn gaan praten (waarbij na elke zin applaus moet volgen), spreekt Obama in alinea’s. Gevolg is dat tijdens zijn toespraken vaak een doodse stilte valt, ongebruikelijk intens voor Amerikanen, waarna de extatische ontlading een kwestie van tijd is.

Obama verstaat de kunst van het verleiden al zijn hele leven. Begin jaren tachtig, nadat hij op Columbia University in New York literatuurwetenschappen en politicologie deed, ging hij in Chicago wonen. Hij werkte er in de oude stadswijken. Collega’s en vrienden herinneren zich dat hij hun nieuwsgierigheid steeds opnieuw wist te wekken. Zo weet Mike Kruglik, destijds zijn mentor, nog precies te omschrijven hoe zijn appartementje erbij lag: één stoel, boeken van vooral zwarte schrijvers (James Baldwin, Richard Wright, Malcolm X) die over de vloer slingerden en een rondsluipende grijze kater. Dat was alles. „Een soort magisch hol”, zegt Kruglik. „Wat was daar gaande?”

Altijd hing er mysterie om hem heen. Op het oog was hij een typische bohémien. Maar hoogst zelden kon je hem zover krijgen dat hij mee uitging. Pas jaren later merkte Kruglik wat hem in huis hield. Op een dag duwde Obama hem een stapeltje papier in handen. Een kort verhaal, zei hij schielijk. Hij had het in de avonduren en het weekeinde geschreven.

Het ging over een zwarte priester in de South Side (het slechte deel van Chicago) en het was briljant, zegt Kruglik. Er sprak volgens hem een onverwacht groot inlevingsvermogen uit. Een doorleefd inzicht in de mensen voor wie hij opkwam. Hij en zijn vrouw konden het niet lezen zonder ontroerd te raken. „Deze man begrijpt de poëzie van het leven.”

Ook als er succes is te vieren, blijft Obama even cool als ongrijpbaar. Hij heeft, ongebruikelijk voor een Amerikaan, ironie. Over de onwaarschijnlijk grote aandacht die hij de laatste maanden krijgt, is zijn standaardgrap: „Ik word zo totaal overbelicht: vergeleken met mij is Paris Hilton een kluizenaar.” Bruce Orenstein, nu documentairemaker voor de Amerikaanse publieke omroep, zette in de jaren tachtig met Obama een actie in de South Side op. Ze waren jong, vol idealen, maar uiterst onervaren. Het werd een verrassend groot succes. Orenstein was door het dolle heen. Maar toen hij Obama die avond trof, stond hij kalm een sigaret te roken: geen greintje spanning op het gezicht. „Ik dacht: jóngen, wat heb jij jezelf goed in de hand.”

Het zijn eigenschappen die Obama nu gebruikt als politiek entertainer. Hij presenteerde zijn laatste boek, The Audacity of Hope, vorig najaar bij Oprah Winfrey. Sindsdien staat het vrijwel permanent op één in de bestsellerlijst van The New York Times. Recensenten zijn het er globaal over eens dat het boek vlak is, vergeleken met zijn schitterende levensbeschrijving uit 1995, Dreams from My Father, maar dat kan de opwinding niet meer wegnemen.

In elke peiling staat hij een straatlengte achter op Hillary Clinton. Maar in Washington is er nauwelijks een strateeg die betwijfelt dat de race om de Democratische nominatie tussen hem en Clinton zal gaan. Journalisten hebben duidelijk een voorkeur voor hem: in de Senaat is het bekend dat Clinton nerveus door de gangen schiet als ze verslaggevers signaleert terwijl Obama er nooit voor terugschrikt vragen te beantwoorden, ook als er tientallen mensen om hem heen staan. De man is een natural.

Clinton heeft bovendien twee problemen: zij is een polariserende figuur en vrijwel niemand, drie procent van de kiezers, geeft aan nog nieuwsgierig naar haar te zijn. Ook zij zal dus moeite hebben kiezers uit het Republikeinse kamp los te weken. Maar Obama roept steeds meer nieuwsgierigheid op. Volgens onderzoek is hij de eerste zwarte politicus die geen angst inboezemt bij blanke kiezers. Hij heeft, kortom, meer kansen aanhang te winnen: zie daar de oplopende opwinding.

En dus keren steeds meer Hollywoodsterren – trendgevoelig als altijd – zich af van Clinton om zich in het kamp van Obama te begeven. Steven Spielberg en David Geffen hebben het al gedaan. Barbara Streisand, vaste Clinton-supporter, maakte onlangs bekend dat ze moeite heeft met kiezen. En George Soros, de linkse belegger annex filantroop, nam vorige maand ook een besluit: zijn geld gaat naar Obama.

Burgeractivist

Alles lijkt Obama dezer dagen mee te zitten. Ook in Chicago hangt een Go!-Barack!-Go!-sfeertje. In downtown waren vorige week op de muren en in de etalages evenveel verwijzingen naar Obama te zien als naar de footballers van de Chicago Bears, die afgelopen weekeinde om de Superbowl streden (en verloren), hét Amerikaanse televisie-evenement van het jaar. En in Hyde Park, een studentenwijk waar Obama tot vorig jaar woonde, toen hij naar de goudkust verhuisde, werd op grote neonborden reclame gemaakt voor zijn nieuwste boek.

Dat is opmerkelijk, omdat ook de roots van Hillary Clinton in Chicago liggen. Zij werd er geboren en bleef er tot en met de middelbare school. En net als Obama kwam zij in deze stad in aanraking met een radicale denker die haar sterk beïnvloedde: de criminoloog Saul Alinsky.

Hij beschreef in 1971 in het boek Rules for Radicals hoe in het Amerikaanse politieke stelsel de belangen van normale mensen niet meer werden gediend. Door de macht van het geld konden alleen welgestelde burgers en bedrijven de politiek beïnvloeden. Alinsky, afkomstig uit Chicago, meende dat burgers met een zo scherp mogelijke polarisatie tot verzet moesten worden gebracht, om politici te dwingen alsnog voor hen op te komen.

Dat moest volgens hem gebeuren via een niet-marxistische variant van agitprop, waarin zogenoemde community organizers , burgeractivisten, zich tussen de, aldus de theorie, verongelijkte en ontredderde burgers begaven om hun grieven in kaart te brengen en ze aan te zetten tot massaverzet. „Fighting the fat cats”, in de woorden Mike Kruglik. „Protecting black folks”, volgens Obama.

Hillary Clinton was in de jaren zestig al zo door deze ideeën geïmponeerd dat ze contact zocht met Alinsky. Later schreef ze een bewonderende scriptie over hem. Maar daarna zou zij via Yale de wereld van de grote politiek en de advocatuur ingaan. Bij Obama verliep het andersom: hij besloot na zijn studie in New York burgeractivist in Chicago te worden en kwam zo in een milieu waar het boek van Alinsky als de bijbel wordt beschouwd.

Voor Obama was het werken in de slechtste wijken van Chicago ook eigenbelang, vertelt Kruglik. Door het gebroken huwelijk van zijn ouders had hij in zijn tienerjaren op Hawaii als zwart kleinkind bij zijn blanke grootouders ingewoond. Verwarrend. Op de middelbare school viel hij voor marihuana en cocaïne, zoals hij in 1995 in Dreams of my Father beschreef. Later, toen hij kort in Los Angeles studeerde, nam hij even de ‘radicale pose’, zoals hij het zelf noemde, van de zwarte leider aan. Hield ook geen stand. Toen hij in 1983 in de slechte wijken van Chicago belandde, had hij zijn draai nog steeds niet gevonden. „Hij was op zoek”, zegt Kruglik.

Obama ging werken in Altgeld, een zwarte buurt in de South Side met rijtjeshuizen uit de jaren veertig. Het bekende verhaal: te weinig werk, drugs, geweld, tienerzwangerschappen, jeugdbendes. Bruce Orenstein deed hetzelfde werk in een nabijgelegen buurt. Hij zag Obama voor het eerst op een vergadering van organizers. „Hij was enorm druk. Overal had hij een mening over. Ik weet nog dat ik dacht: rustig aan, blaaskaak, je komt net kijken.” Later zouden anderen dat ook opmerken: Obama kan erg van zichzelf vervuld zijn. Zo beschreef een verslaggever van The Atlantic ooit hoe Obama tijdens telefoongesprekken stelselmatig papier volkladt: met zelfportretten.

Maar hij deed nobel werk in Altgeld, zegt Hank de Zutter, die later voor The Chicago Reader, een alternatief weekblad, het werk van Obama uitvoerig zou beschrijven. Andere twintigers met een academische achtergrond waren destijds, in de jaren van Reagan, geen van allen bereid dit soort werk te doen, zegt hij. En Obama hield het jaren vol: vrijwel alleen, zonder hoempapa, tegen een verwaarloosbaar salaris. „Dan moet je een groot hart voor de maatschappij hebben.”

Polarisatie

Toch klopte er iets niet. Hoeveel succes Obama volgens de maatstaven van Alinsky ook had, en hoe trots mensen als Kruglik ook waren op zijn acties tegen arrogante politici en dure zakenlui, het leven in Altgeld verbeterde nauwelijks. Voor een deel was dat, zoals Obama soms melancholiek zei, de tragiek van de vooruitgang. Bewoners die er bovenop kwamen, besloten de wijk te verlaten – naar de suburbs. Maar voor een deel werden ze na de succesvolle acties nog harder getroffen door de politici die ze bestreden. Het gevolg was dat hij steeds meer kinderen zag opgroeien in slechte omstandigheden. Hij signaleerde, zegt Orenstein, dat onder zwarte jongeren een sluimerende zelfhaat groeide: If you’re light you’re all right, if you’re black get back.

Bij Obama ontwikkelde zich het idee dat de polariserende aanpak zich keerde tegen de mensen voor wie hij zei op te komen. Dat het politiseren van verschillen goed was voor de community organizers , maar niet voor burgers.

Obama zou er uiteindelijk, in een voor zijn latere leven beslissend artikel, in 1988 over publiceren in Illinois Issues, tijdschrift van de universiteit van Illinois. In dat stuk, Why Organize?, werd Barack Obama een verzoener. Een achtergestelde burger heeft veel meer belang bij coalities met kerken, burgemeesters en bedrijven, schreef hij. Smeed zulke banden: zoek samenhang, geen verdeeldheid. Terwijl Hillary Clinton in de professionele politiek de technieken van de polarisatie verder verfijnde om er stemmen mee te winnen, keerde Barack Obama zich er van af.

Het artikel was ook in een ander opzicht een nieuw begin: in diezelfde periode besloot hij rechten op Harvard te gaan doen. Hij wist van tevoren al dat hij zou terugkeren. Op Harvard kreeg hij nationale faam als eerste zwarte voorzitter van The Harvard Law Review, maar inderdaad: in 1991, toen hij moeiteloos tonnen kon verdienen in het bedrijfsleven, ging hij opnieuw aan de slag in de slechte wijken van Chicago.

Er waren wel dingen veranderd. Obama woonde voortaan in een appartement omgeven door hekken. Dat paste niet bij hem, zegt De Zutter. „Hij was toch de man van het volk?” Hij was inmiddels getrouwd: op hun eerste afspraakje bezochten hij en zijn vrouw de film Do the Right Thing van Spike Lee, schets van het multiculturele drama in New York. En hij vertelde De Zutter dat hij teleurgesteld was over Chicago. De buurten in de South Side oogden viezer dan ooit tevoren, de zwarte middenklasse vluchtte nu massaal naar de suburbs, en vrijwel geen mens in de stad leek zich nog te bekommeren om de achterblijvers: zie daar het vernietigende gevolg van de polarisatie.

Het is een erfenis waarmee Obama zich de komende periode van Clinton zal onderscheiden, voorspellen insiders. Want nu babyboomer Clinton, net als Bush op de rechterflank, nog steeds polariseert, zal Obama proberen daarboven te gaan staan. Sommige peilingen geven aan dat dit vooral jongere kiezers aanspreekt. Zelf zei Obama eerder: „Het neerslaan en verbranden van je tegenstanders, het gekibbel met negatieve advertenties, de kleingeestigheid van al dat gedrag – daar schiet dit land niets mee op.”

Maar het is meer dan dat, legde hij deze week in het politieke dagblad The Politico uit. Ik kom inderdaad uit de linkerflank van mijn partij, zei hij. Maar ik ben een verzoener: „Ik heb altijd voortreffelijke relaties gehad met conservatieve collega’s. Niet omdat ik het met ze eens ben [...] maar omdat ik naar ze luister. Ik ga uit van het goede van mensen. En die houding kom je niet zoveel meer tegen in deze tijd.”

Macht van het geld

Zo werd in Chicago vanaf de jaren tachtig de basis gelegd voor de strijd die komend jaar bepaalt welke Democraat in 2008 opgaat voor het Witte Huis. Het zal gaan over stijl. Over gevoelens. Over sfeer. Geen persoonlijke aanvallen, geen negatieve campagnes.

Dat hoopt Obama althans. Maar vorig najaar verschenen al de eerste berichten dat hij net zo menselijk is als zijn tegenkandidaten. The Chicago Tribune onthulde een dubieuze transactie met een veroordeelde vastgoeddealer, het maandblad Harper’s belichtte dat ook Obama zich inmiddels geheel laat leiden door de macht van het geld: ook een nucleaire firma kon na een campagnedonatie op zijn politieke steun rekenen.

Maar áls Obama president wordt, zegt Mike Kruglik, mentor van het eerste uur, zal Amerika in één opzicht spectaculair veranderen. Het grootste sociale probleem van het land, de afgestompte bevolking in de zwarte wijken van de grote steden, komt bovenaan de agenda te staan. „Barack zal in alarmerende termen uitleggen dat de segregatie in dit land nog nooit zo erg is geweest. En er daarna een full scale attack op lanceren. Pas dan zal iedereen zien hoe links zijn hart is.” Maar zal hij daar gematigde Republikeinse kiezers mee winnen? „Ik denk niet dat hij deze ideeën vóór de verkiezingen al prijsgeeft.”

    • Tom-Jan Meeus