‘Als de politie gaat bellen, moet je schieten’

Foto Rien Zilvold utrecht rene teijliger voor z foto rien zilvold Zilvold, Rien

‘Het was een benarde situatie. Ik reed door de rode zone van Bagdad en er kwam een politieagent op mijn auto af. Ik wist dat politieagenten samenwerkten met terroristen en aarzelde geen moment. ‘Doorrijden!’, riep ik tegen mijn chauffeur. Ik pakte mijn pistool, laadde het door en keek de politieman strak aan. Als hij zijn mobiele telefoon had gepakt, had ik geschoten. Dan wist ik dat hij terroristen op de hoogte stelde van de komst van een slachtoffer. Dan was het hij of ik geweest. Ik had dwars door het raam geschoten, want dat hadden de Amerikanen mij geleerd. Maar die politieman las mijn blik. Hij kwam niet naderbij.

Ik denk niet graag terug aan dat moment, want het ergste dat je kunt doen, is het leven van een ander nemen. Ik geloof, als oud-Provo en lid van GroenLinks, niet in geweld. Ik heb altijd vechtsporten beoefend, maar heb nooit met mensen gevochten, al behoud ik mezelf het recht van verdediging voor. Ik heb ook nooit affiniteit met het leger gehad en was tegen de Nederlandse missie naar Irak. Toch maakte ik er deel van uit, compleet met uniform en de rang van majoor.

Dat kwam zo: ik was op een bijeenkomst van Blue Shield, een organisatie die cultureel erfgoed probeert te beschermen tegen natuurrampen en oorlogsgeweld. Daar vertelde een kolonel dat het Nederlandse leger burgers nodig had om cultureel erfgoed te beschermen tijdens militaire missies. Als antropoloog en expert op het gebied van conserveren in de tropen leek me dat belangrijk. Ik meldde me aan en kreeg een militaire training. Dat was even wennen, ja. Maar als je met het leger mee gaat, moet je je ook als een soldaat gedragen. Ik heb dus gewoon een uniform aangedaan. Ik dacht: ik sta hier achter en ik ga me niet schamen.

Toen werd ik gevraagd naar Bagdad te gaan. Dat betekende dat ik mijn linkse vrienden moest gaan uitleggen dat ik meeging met de Nederlandse missie. Dat viel niet mee. Ik wist bovendien dat de kans bestond dat ik gestrekt zou terugkomen. Je moet van tevoren ook een heel boekwerk invullen over hoe je begrafenis is geregeld en zo. Maar ik vond mijn opdracht belangrijk genoeg om het risico te nemen.

Ik heb mijn vriendin en mijn 23-jarige zoon wel het vetorecht gegeven. Ze hielden het niet tegen, maar later bleek dat mijn zoon er toch problemen mee had. Diep in zijn hart vond hij het egoïstisch dat ik naar Irak ging, dat ik het risico nam dat hij geen vader meer zou hebben. Het was misschien naïef van me om van mijn zoon te verwachten dat hij het zou accepteren.

Toen kwam de dag dat ik naar Irak vertrok. Ik vloog naar Koeweit en van daaruit met een vrachttoestel naar Bagdad. Voor de veiligheid maakte het vliegtuig tijdens het landen een duikvlucht. Je weet niet wat je meemaakt. En daar stond ik dan op het vliegveld, in mijn uniform, kogelvrij vest en helm. Het was 45 graden, ik had zes grote tassen bij me met spullen waar Iraakse bibliotheken en musea om hadden gevraagd.

In Bagdad kreeg ik een kantoorruimte op de Amerikaanse ambassade en kon ik beginnen. Nu behoor je je in een Arabisch land als Irak afwachtend op te stellen, maar ik ben een jongen van aanpoten. Ik zorgde ervoor dat ik zo snel mogelijk de minister van Cultuur te spreken kreeg, maar die had een houding van ‘Wat kom je doen?’ Ik was de zoveelste in korte tijd en hij wist niet eens dat ik zou komen. Na een week of twee dacht ik: dit werkt niet. Toen zei ik tegen hem: ‘U weet hoe Nederlanders zijn. Bot. We kunnen nog uren thee drinken en Arabische beleefdheden uitwisselen maar ik wil graag aan de slag. Toen moest hij lachen en daarna hebben we prima samengewerkt.’

Ik heb me laten leiden door de omstandigheden. Het was van begin af aan duidelijk dat het Nationaal Museum een sterke directeur had, die alles goed aankon. De Nationale Bibliotheek daarentegen had hulp nodig. Het gebouw had in de fik gestaan, zestig procent van de collectie was weg. Ze hadden daar nauwelijks een idee van conserveren. Ik heb de wederopbouw van de bibliotheek ondersteund, geholpen bij het opzetten van een elektronische catalogus en geld geregeld voor het conserveren van het Ottomaanse archief. Ik zorgde ervoor dat de assistentes van de directeur computervaardigheden en Engels leerden. Ik heb ook een programma opgezet om ambtenaren van het ministerie van Cultuur cursussen Engels, computervaardigheden en boekhouden te laten volgen in Libanon. Investeren in mensen is het beste wat je in zo’n situatie kunt doen.

Toen werd in Babylon een regionaal hoofdkwartier gevestigd. Met 2.500 militairen onder Pools commando. Dat gebied is een ongelofelijk belangrijke archeologische vindplaats. Je hoeft bij wijze van spreken je hand maar in het zand te steken om er cultuur uit te halen. En nu reden daar tanks doorheen! Ze gingen met bulldozers door die archeologische vindplaats om grond te effenen voor opslag van groot materieel. Ze reden af en aan met vrachtwagens om tweehonderd wc-eenheden neer te zetten.

Het was ontzettend moeilijk die Polen ervan te overtuigen dat ze daar weg moesten. Ik heb keihard moeten onderhandelen. Uiteindelijk heeft het hele proces van ontruiming vier maanden geduurd.

En dan was er de scherpschutter op de minaret in Samara. Die prachtige minaret uit de negende eeuw dreigde daardoor schade op te lopen, want een scherpschutter roept tegenvuur op. Ik heb hemel en aarde bewogen om die scherpschutter er af te krijgen. Dat heeft me drie maanden gekost. Twee weken later bliezen terroristen de top van die minaret er af.

Verder was het mijn taak om alle bezittingen van Saddam Hussein te retourneren aan de regering – koetsen, meubilair, tapijten, juwelen, dure auto’s. Dat lijkt een eenvoudige taak, maar het was een helse klus. Ik kon ze niet met vrachtwagens vervoeren, want de Amerikanen lieten geen vrachtwagens zonder Amerikaans identificatienummer toe. Dus moest ik gebruik maken van militaire konvooien. Dat bracht heel veel bureaucratie met zich mee.

Nee, ik heb er nooit over gedacht een klein souvenir uit de nalatenschap van Saddam in mijn zak te stoppen. Ik had makkelijk een van Saddams 112 wandelstokken, de een nog mooier dan de ander, achterover kunnen drukken. Maar met de smaak van Saddam heb ik weinig op. We hebben ons doodgelachen om die enorme gouden kamelenkop met diamanten ogen uit zijn nalatenschap die op mijn kantoor terechtkwam omdat een Amerikaanse soldaat hem had gejat.

Ondertussen zaten we daar op de Amerikaanse ambassade met 1.500 mensen op een veel te klein terrein. Als ratten in een kooi. Er vielen gewonden en zo nu en dan zelfs doden. Met name gedurende de ramadan werden we dagelijks beschoten, met mortieren. Dan moesten we naar de schuilkelder. Ik heb meegemaakt dat er een raket dwars door het dak kwam, waarbij iemand in tweeën werd gehakt. Ik stond toevallig buiten.

Een collega met wie ik een kantoor deelde, is vermoord. Hij was in een gewone, niet kogelvrije, auto de rode zone ingereden en door terroristen in de val gelokt. En dan was er nog die aanval op het ministerie van Cultuur, net nadat ik met de minister het pand had verlaten. Op een gegeven moment was de situatie zo gevaarlijk dat ik bij mijn bezoek aan de minister begeleid werd door zes kogelvrije auto’s en een helikopter. Toen begon ik me af te vragen of ik niet beter terug naar huis kon gaan.

Ik was behoorlijk gespannen. Overal waar ik ging, had ik een horde huurlingen om me heen die me bewaakten. Dat is niet makkelijk. Ze zorgen voor mijn veiligheid maar ik had ook een hekel aan ze omdat ze dingen onmogelijk maken. Dan ben je eindelijk ergens en kunnen de besprekingen beginnen en dan stormen ze binnen met het bericht dat er gevaar dreigt en dwingen ze je te vertrekken. Ik had het echt met ze gehad toen ik in Bagdad voor een stoplicht moest wachten en een van hen een krantenverkopertje van een jaar of tien onder schot nam. Toen zei ik: nu moet je ophouden, anders stap ik uit de auto.

Maar de ergste stress was de hoeveelheid werk. Ik werkte veertien uur per dag, zeven dagen per week. Ik moest altijd mensen overtuigen dat het belangrijk was cultureel erfgoed te redden. En als ik één dossier kon sluiten, waren er nog 25 open. Op een gegeven moment werd de situatie te gevaarlijk om mijn werk te doen. Face to face contact was nauwelijks meer mogelijk en telefonisch contact te gevaarlijk omdat terroristen de telefoons afluisterden. Toen ben ik met kerstreces teruggegaan naar Nederland. Mijn vrienden vonden dat ik was veranderd. Ik praatte en praatte en praatte maar. Op een dag ben ik in huilen uitgebarsten. Ik had zoveel doden gezien.

Na de verkiezingen in januari 2005 ben ik toch weer voor een paar maanden teruggegaan, toen ik hoorde dat de situatie rustiger was. Het viel me uiteindelijk zwaar Irak te verlaten. Ik had het gevoel dat ik mijn vrienden in de steek liet. Ik had mijn secretaresse zien groeien: eerst was ze een schuchtere vrouw, maar toen ik wegging was ze hoofd van een stembureau geworden. Ze was zo trots.

Ik hoorde onlangs dat ze de Nationale Bibliotheek van Irak een tijd hebben moeten sluiten. Er zijn daar drie chauffeurs vermoord, drie chauffeurs gewond geraakt en drie personeelsleden doodgeschoten. Dertig procent van het budget ging op aan busvervoer voor het personeel omdat het te gevaarlijk was om daar op eigen gelegenheid te komen. Ze draaien nu met een halve bezetting.

Met het Nationale Museum is het heel slecht gesteld. Het is dichtgemetseld en de voormalige directeur is naar Syrië gevlucht. Het culturele erfgoed van Irak wordt opgeofferd aan de strijd tussen de verschillende belangengroepen. Het Nationale Museum kan zomaar volgende week weer geplunderd worden. Er is geen geld meer voor bewaking van archeologische vindplaatsen.

Heeft het zin gehad dat ik mijn leven in de waagschaal heb gesteld? Is het allemaal voor niets geweest? Die vragen houden me wel bezig, ja. Maar niets doen is ook geen alternatief. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik heb de mensen met wie ik daar werkte hoe dan ook iets meegegeven. Iets van vertrouwen. Want wat overblijft in die chaos is de menselijkheid. Dus als ik het over mocht doen, zou ik toch weer gaan.”

Opgetekend door Renate van der Zee

    • Renate van der Zee