Alleen maar brandnetel en distel

Promovendus Martijn Antheunisse concludeert dat stikstofconcentraties het vegetatieherstel van natuurontwikkelingsprojecten in de uiterwaarden zouden belemmeren (wetenschapspagina, 25 januari). Hierbij wordt een misleidend en onjuist beeld geschetst van wat er werkelijk in het Nederlandse rivierengebied aan de hand is.

De laatste jaren is door ons uitgebreid onderzoek verricht naar de resultaten van natuurontwikkeling in het Nederlandse rivierengebied. Niet eerder hebben we een dusdanig snel herstel gezien als in ons rivierengebied: honderden soorten zijn teruggekeerd en zeldzame soorten breiden in hoog tempo uit.

Dus vanwaar de sombere teneur? Antheunisse concludeert terecht dat op de stikstofrijke kleigronden wat verder van de rivier soms veel ruigte met brandnetel en distel tot ontwikkeling komt. Maar dat is niets nieuws want kleiige bodems zijn ook zonder stikstofdepositie uit het verleden ongeschikt voor bloemrijke vegetaties. Die groeien vooral op de zandige oeverwallen dichter aan de rivier. Hier zien we dan ook een spectaculair floraherstel, vooral door de ruimte die dynamiek krijgt: de rivier kan tijdens hoogwater volop zand en grind afzetten waardoor oude bemeste lagen verdwijnen en nieuwe vestigingskansen ontstaan.

Op de voedselrijkere kleigronden vinden andere interessante ontwikkelingen plaats. Hier ontwikkelen zich moerassen, ooibossen, rivierruigtes en struwelen met hoge dichtheden aan bevers, libellen en broedvogels.