Zoek het podiumbeest in jezelf

De Prix de Lausanne is een van de belangrijkste balletconcoursen ter wereld. Voor jonge dansers is het dé plek om zich in de kijker te spelen. „Het enige wat hier telt is discipline, toewijding.”

Boven: groepsrepetitie van de jongens, met finalisten James Hay uit Groot-Brittannië (midden, nr. 60) en Arai Yoshihisa uit Japan (nr. 56). Onder: halve-finaliste Elena Karpuhina uit Polen danst voor de jury Foto Jean-Bernard Sieber Eliminatoire du Prix de Lausanne 2007. ARC/Jean- Bernard Sieber ARC

In de stad herken je ze moeiteloos. Ze zijn mooi. Met rechte ruggen en lange halzen lopen ze de heuvels van Lausanne op en af, de voeten al een beetje zijwaarts in de grond geplant. Vergeleken met de gewone tieners die hun pad kruisen zijn ze fragiel, witjes, maar ook vervuld, meer ‘af’. Hun ogen dwalen niet. Ze weten al waar ze heen willen. Hun moeders, vaak kleinere, mollige versies van henzelf, blijven steeds dicht in hun buurt.

De Prix de Lausanne, in 1973 begonnen op initiatief van een Zwitserse zakenman, is een van de meest prestigieuze balletconcoursen ter wereld, bedoeld voor dansers tussen de 15 en 18 jaar. Wie in Lausanne tot de selectie weet door te dringen, krijgt een week lang les van grote namen uit de dans, voor het oog van directeuren van tientallen voorname academies en gezelschappen. De halve en de hele finale zijn echte voorstellingen, uitgevoerd op het podium van het Théâtre de Beaulieu. Vooral de finale is voor Lausanne elk jaar een society-evenement, dat live op de televisie wordt uitgezonden.

‘Lausanne’ vormt voor elke deelnemer dus een opstapje naar meer en naar beter, en voor sommigen is het zelfs de cruciale link tussen school en beroepspraktijk: de hoofdprijzen bestaan uit beurzen, die afhankelijk van de leeftijd van de winnaar voor een school- of een stagejaar bij een gezelschap naar keuze kunnen worden gebruikt.

Lausanne is geen garantie voor succes, maar het aantal bekende namen op de lijst van oud-winnaars is indrukwekkend hoog. Een greep uit de laatste jaren: Darcey Bussell, Carlos Acosta (sterdansers van The Royal Ballet, Londen); Marieke Simons, Boris de Leeuw, Ruta Jezerskyte (Het Nationale Ballet, Amsterdam); Christopher Weeldon en David Dawson, inmiddels beiden werkzaam als choreograaf. Lausanne hoeft niet, maar het helpt wel.

Voor de voorselectie van de 35ste editie van de Prix, die vorige week plaatsvond, stuurden 168 tieners uit 33 landen dansfilmpjes van zichzelf in; 65 van hen werden per brief of e-mail uitgenodigd om zich op maandag 29 januari in Lausanne te melden, in het backstage area van het Theatre de Beaulieu. Zestig van hen kwamen ook echt. „Blessures zijn nu eenmaal een realiteit in de balletwereld”, in de woorden van een bestuurslid van de Prix. De jongens waren traditiegetrouw ver in de minderheid, maar van de negentien die er waren, zouden er ten slotte zeven de finale halen, tegenover acht meisjes. Goeie mannelijke dansers zijn zo schaars dat de jury bij hen doorgaans iets minder strenge criteria hanteert, al dan niet bewust.

Zes dagen lang heten zestig pubers

naar hun nummers. Ze zijn Chinees, Frans of Braziliaans, de verschillen in lengte en breedte zijn groot en ze kunnen elkaar vaak in geen enkele taal verstaan, maar door de met veiligheidsspelden op hun borst en rug vastgezette lapjes 1 tot en met 60 lijken ze één kudde identieke balletmensjes. „Wat vond je van 13?”, klinkt het onder docenten en juryleden, of: „52 kent zijn kracht nog niet”, of: „27 wilde haar beenwarmers niet uitdoen, wat is die koppig zeg.”

In het algemeen gedragen de zestig zich voorbeeldig. Als op vrijdagmiddag bekend wordt gemaakt wie er door mogen naar de halve finale, zijn de afvallers teleurgesteld, maar begripvol. Ze huilen stilletjes. In de nabijheid van zoveel ander talent zijn hun zwakke punten genadeloos aan het licht gekomen, ook voor henzelf. Ouders en meegereisde leraren hebben vaak meer moeite om het verlies te accepteren. Om hun soms storende fanatisme aan banden te leggen, worden zij sinds een paar jaar geweerd bij de persoonlijke gesprekken tussen kind en jury, en zijn extra repetities in de ruimte waar de groepslessen plaatsvinden streng verboden.

Maar ook na een afwijzing geven sommigen niet op. „Mijn zoon”, klampt een Chinese in gebroken Engels een jurylid aan. „Wat kunt u doen voor mijn zoon?” Ze duwt een jongen met piekhaar naar voren, in winterjack, zware rugzak om. „Hij gaat niet meer terug naar school”, zegt de moeder. Waarschijnlijk is het geld op. „Wat kan hij doen?” „Hij kan met mij komen praten”, zegt het jurylid, een strenge grijsaard. „Mijn balletschool is in Nice, en wij geven ook beurzen. Komt u later nog even langs.” Hij draait zich om en loopt verder. Moeder en zoon kijken elkaar aan, en vallen elkaar dan euforisch in de armen.

Als voorstelling is de halve finale

, zaterdagmiddag, een crime. De eerste reeks van vijfentwintig klassieke solo’s is ook voor buitenstaanders nog wel boeiend, omdat het beperkte repertoire een nauwkeurige vergelijking mogelijk maakt: wie is de vrolijkste James uit La Sylphide, welke Giselle draait haar pirouettes het mooist? Bij de tweede reeks blijven vooral familie en andere achterban enthousiast klappen voor ‘hun’ nummer, en bij de derde reeks, nota bene moderne solo’s die Jirí Kylián belangeloos aan het concours heeft afgestaan, wreekt zich opeens de jonge leeftijd van de uitvoerenden. Een kind kan nog geen Kylián; dat wil zeggen, deze kinderen kúnnen het wel, met kronkelende ruggengraat naar hun neus wijzen of met de rug naar de zaal even met hun handen wapperen, maar het betekent niets. Een donkere ziel krijg je er niet één-twee-drie in gerepeteerd.

De lange zit heeft wel een duidelijk effect: de winnaars van morgen steken opeens scherp af. De jury is op zoek naar allrounders. De meeste gezelschappen eisen tegenwoordig beheersing van zowel het klassieke als het moderne idioom van hun dansers. Het zou dus niet verantwoord zijn om een kind enkel om zijn fabuleuze grands jetés te laten winnen; dat kind vindt straks geen werk, zo simpel is het.

Charles-Louis Yoshiyama, in 1989 in Japan geboren en nu leerling van de English National Ballet School, danst zijn fragment uit Kyliáns 27’52” alsof hij al jaren lid is van het Nederlands Dans Theater. Waar zijn Basile uit Don Quichotte nog als een slecht in zijn vel zittende krachtpatser over het podium stuiterde, is hij nu in zijn element. Hij durft te verstillen, en de zaal houdt de adem in. Hij buigt met een gelukzalige glimlach. Deze taal verstaat hij. Sterker nog: hij spreekt hem al.

„Ik heb geen tijd om te praten”,

zegt de ene Amerikaanse moeder tegen de andere, ’s ochtends in het ontbijtzaaltje van het hotel. „Ik moet terug naar mijn dochter. Ze heeft een moeilijke week gehad.” De vrouw, zelf uitgedost als een ballerina in haar rustpauze, draagt een blad met thee en broodjes naar boven. Ik herinner me de dochter van backstage: een blonde pop, mooi en getalenteerd, zeker, maar vergeleken bij de Aziatische meisjes was ze ook een beetje lomp, en overdreven gespierd. „Die Amerikanen, dat zijn geen dansers”, had een Franse dansjournaliste gegromd. „Het zijn gymnasten.”

Er zijn twaalf finalisten, en hoewel we alles wat ze gaan uitvoeren al kennen, gaat het zondagmiddag dus een stuk sneller. Bovendien zijn er camera’s, en zit de president van de Zwitserse Bondsraad, Micheline Calmy-Rey, in de zaal, en geven tijdens het juryberaad zes oud-winnaars een kleine galavoorstelling.

Tegen de verwachting in zijn ook de solo’s dit keer loeispannend. Het is of de kinderen in één etmaal het podiumbeest in zichzelf hebben gevonden; ze lijken allemaal sterker, minder nerveus. Niemand verstapt zich, zoals gisteren bij de jongens een paar keer gebeurde. Hun mimiek is uitbundiger. Telmo Moreira, een vijftienjarige Portugees van nog geen 1,50 meter, herhaalt zijn ‘James’-act met een nog grotere grijns; wat hij aan lengte mist, springt hij er in de lucht bij. Hij oogst gejuich.

Een van de zes beurzen gaat naar Moreira, ondanks zorgen bij de jury over zijn geringe lengte. Hij zou nog een groeispurt kunnen maken, en daarbij: charisma telt ook. Yoshiyama krijgt de speciale beurs voor de beste prestatie in de moderne dans. Maar de eerste en de derde prijs gaan naar twee Aziatische meisjes, een Zuid-Koreaanse en een Japanse, Mai Kono, die ook de publieksprijs krijgt. Het kon ook haast niet anders; beiden lijken voor het ballet te zijn gemaakt. Zo rank, zo lieflijk, zo bescheiden. Wie ze met de grote witte enveloppen in hun handjes ziet staan, zou ze nog geen dertien jaar geven.

Hoe zit dat met die Aziaten, vroeg een Zwitserse journalist een dag eerder zorgelijk aan het bestuur van de Prix, dat op een kleine persconferentie tekst en uitleg bij deze editie gaf. Hun aantal kruipt al sinds een jaar of tien gestaag omhoog; dit jaar waren er in totaal vijf Chinese, drie Zuid-Koreaanse en elf Japanse deelnemers. „De jury heeft geen voorkeur voor bepaalde nationaliteiten”, antwoordde bestuurslid Beth Krasna. „Het enige wat hier telt is discipline, toewijding. Europeanen en Amerikanen hebben in het ballet hun voorsprong op de Aziaten verloren, dat is nu eenmaal zo. It’s time to wake up and smell the coffee.”

De tv-registratie van de finale van de Prix de Lausanne 2007 is op internet te zien via http://www.prixdelausanne.org/e/live/index.php.