Zeg vriend, jouw ballades zijn troep

Zestien jaar oud begon Prokofjev aan een dagboek. Zelfverzekerd, eerlijk en ijdel baant hij zich een weg door het conservatorium.

Sergei Prokofjev, in 1934 geschilderd door Pjotr Konchalovsky Ullstein Bild SERGEI PROKOFIEV (1891-1953). Russian composer. Portrait, 1934, by Piotr Konchalovsky. Ullstein bild

Sergey Prokofiev: Diaries 1907-1914. Prodigious Youth. Vertaald uit het Russisch in het Engels en van annotaties voorzien door Anthony Phillips.Faber and Faber, 800 blz. € 43,–

‘Sergoesjetsjka, schrijf alles op wat in je opkomt en laat niets weg.’ Dat bindt Maria Grigorievna Prokofjeva haar zoon op het hart, terwijl ze hem een mooi dik schrift overhandigt. En op 3 september 1907 begint hij te pennen, de 16-jarige wonderboy Serge, en hij pakt het grondig aan, zoals hij trouwens met alles gewend is te doen – pianospelen, componeren, schaken, achter de meisjes aan zitten. Hij houdt het vol tot 1933, met het gevolg dat uitgerekend de meest problematische periode van zijn biografie – zijn definitieve terugkeer naar de Sovjet-Unie in 1936 en de jaren tot zijn dood in 1953 – het zonder zijn persoonlijke commentaar moet stellen.

Diaries 1907-1914. Prodigious Youth luidt de titel van het eerste, in het Engels vertaalde deel van de dagboeken van de componist van de Klassieke symfonie, Romeo en Julia en Alexander Nevski, om enkele hoogtepunten uit het Russische repertoire van de 20ste eeuw te noemen. Nu waren op het moment van schrijven deze stukken nog verborgen in de schoot van de muze, maar aan het einde van de eerste achthonderd pagina’s dagboek heeft de dan 23 jaar jonge auteur wel al twee pianoconcerten, een opera en een stapel kamermuziek op zijn naam staan, ‘juvenilia’ niet meegerekend. Zijn autobiografie (‘met details’) heeft hij voor de zekerheid vast aangekondigd, al zal deze in werkelijkheid nog ruim twee decennia op zich laten wachten.

Ambitie, energie en daadkracht kunnen deze zoon van een Oekraïens landbouwkundig ingenieur en een muzikale moeder niet worden ontzegd. Voeg daarbij een planmatige geest, een onverwoestbaar optimisme, een onaantastbaar gevoel van eigenwaarde, en die karakteristieke mengeling van egocentrisme en oppervlakkigheid die het voorrecht van de grootste talenten is, en aan op één na alle voorwaarden voor een glanzende loopbaan lijkt voldaan. Het enige waar het nog enigszins aan schort is een gezonde portie weerstand, die een geboren alleskunner nodig heeft om zijn vermogen tot zelfkritiek te ontwikkelen en om de aangeboren speelsheid die de bron van zijn creativiteit is, op scherp te zetten.

Natuurlijk stuiten Prokofjevs almaar brutalere en spotlustigere klanken op bezwaren van sommige van zijn leraren, onder wie de behoudende componisten Glazoenov en Ljadov, maar al bij al is en blijft hij de trots van het Petersburgse conservatorium. Uit de mond van Tsjerepnin, zijn favoriete leraar, tekent de 22-jarige op dat er maar drie componisten zijn die de hedendaagse muziek verder helpen: Schönberg, Stravinsky en Prokofjev, met, niet toevallig, de dagboekschrijver als meest getalenteerde van het stel. Prokofjev voelt zich niet voor niets ‘de enige echte componist op het conservatorium’ en is ervan overtuigd dat hij ‘heel beroemd’ wordt.

Aanvankelijk kost het enige moeite om behalve bewondering ook sympathie voor deze opschepper op te brengen. Want allemachtig, wat heeft die jongen het met zichzelf getroffen. Als er geen loftuitingen van derden voorhanden zijn om in extenso te citeren, bedenkt hij ze zelf wel. Schaamteloos spelt hij zijn successen op zowel muzikaal, sociaal als amoureus gebied uit, en alleen bij hoge uitzondering is hij, althans buiten het vakgebied, bereid in een ander knarsetandend zijn meerdere te erkennen. Niet dat hij blind of doof is voor zijn schaarse tekortkomingen, want even volledig als hij zijn verdiensten uitmeet, somt hij zijn misslagen in een pianorecital op. Misschien gaat dat hem zo gemakkelijk af omdat hij zich snel heeft neergelegd bij de voorspelling van zijn vriend Zacharov dat hij uiteindelijk niet als pianist of dirigent maar als componist geschiedenis zal maken. Wat hem niet verhindert als solist in zijn eigen Tweede pianoconcert een eerste prijs voor zijn piano-examen te winnen en als trofee (onvoorstelbaar in onze tijd) een nieuwe vleugel in de wacht te slepen. Genoeg reden om voor eens en voor al ‘uiterst tevreden’ over zichzelf te zijn.

Dat de jonge Prokofjev er strong opinions op nahield, verbaast niet, hoe eigenaardig die soms ook uitvallen. Dat hij Strauss’ Salomé ‘onacceptabel’ vindt, valt goed te rijmen met zijn anti-romantische gezindheid, maar Ravels Daphnis et Chloé ‘niet de moeite van het luisteren waard’? Debussy’s Jeux muziek ‘zonder veel inhoud’? Le nozze di Figaro een opera die dramatisch ‘twintig keer beter’ had gekund? Uitgerekend de finale van Beethovens Zevende ‘slecht georkestreerd’? Chopins Derde ballade ‘rotzooi’? Ook over zijn Petersburgse collega’s is hij meer eerlijk dan beleefd. Zijn leeftijdgenoot Joerasovski krijgt te verstaan dat zijn muziek ‘volslagen troep’ is en tegen zijn librettist Gorodetski laat hij zich ontvallen dat hij deze maar hoeft te zien of hem ‘vergaat een week lang de lust tot componeren’. Maar aan zelfkennis ontbreekt het hem niet: ‘Mijn beste vriend zou net zo iemand als ikzelf moeten zijn’.

Hoewel Prokofjev naar eigen zeggen niet geneigd was tot zelfonderzoek en liever over feiten dan gemoedstoestanden schreef, bevat zijn dagboek een aantal portretten van bekende en onbekende musici, van een menigte in lijstjes gerubriceerde meisjes en een enkele vriend, die het louter registrerende bij tijd en wijle ver achter zich laten. Prachtig zijn de pagina’s waarin hij de gecompliceerde en invloedrijke vriendschap met medecomponist-in-opleiding Max Schmidthof probeert de doorgronden. Max’ onverwachte zelfmoord, die de vaak zo onaandoenlijke Serge geheel uit het veld slaat, blijft nog lang in het dagboek rondspoken. De zeldzame keren dat de schrijver de voorrang geeft aan bespiegelingen boven feiten, leveren passages op waarvan je er veel meer zou willen lezen. Zo steekt hij een bijzonder inzichtelijke verhandeling af over het verschil tussen improviseren en componeren (‘het proces van componeren aan de piano heeft niets met improviseren te maken’) en ontvouwt hij een geheel particuliere theorie over het memoriseren van muziek.

Diaries 1907-1914 beslaat een periode van ruim zeven jaar en telt ruw geschat zo’n 350.000 woorden. En dat is nog lang niet alles wat de jonge componist aan het schrijfpapier heeft toevertrouwd: de correspondentie waarnaar hij voortdurend verwijst (neem de 29 ansichtkaarten van de Eiffeltoren die hij uit Parijs verstuurt) moet onmetelijk zijn geweest. Al die woorden zijn niet evenredig over de jaren verdeeld, want met het vorderen van de tijd neemt zijn productiviteit toe. In 1914 schrijft hij vijf keer zoveel als in 1908 en, wat belangrijker is, minstens driemaal zo goed. Wat voor zowel auteur als lezer als een corvee begint, ontwikkelt zich allengs tot de kleurrijke vertelling van een praatgrage chroniqueur, die zijn dagboeken componeert. Slechts eenmaal, in de zomer van 1914, krijgen we het ruwe, in telegramstijl geschreven materiaal onder ogen, voor het overige lezen we zorgvuldig geredigeerde, met veel directe rede verlevendigde verslagen van de wederwaardigheden van een briljante zoon van Sint Petersburg.

Uiteindelijk schuilt de kracht van het boek meer in de evocatie van een tijd, een plaats en een milieu dan in muziekhistorische en biografische openbaringen. Met elke nieuwe bladzijde worden we dieper de vroege 20ste eeuw ingezogen en in elk volgend jaar wordt alles wat we geneigd zijn bijzonder te vinden steeds gewoner en alles wat we gewoon vinden steeds bijzonderder. We steken ons in een modieus nieuw pak, lunchen met champagne op de Nevski Prospekt, kopen en passant wat aandelen, nemen een taxi naar huis, gaan heel laat naar bed, slapen elke dag uit, maken eindeloze wandelingen, binden als het even kan de schaatsen onder, spelen in de avonduren telefoonschaak met een lieve vriendin of sporten bij Sokol (een organisatie die nog steeds schijnt te bestaan), en hebben intussen geen idee dat het rijk van de Romanovs op instorten staat. Zeker, er waait wel eens een stofje in ons oog en een enkele keer hebben we schele hoofdpijn, maar verder is er geen vuiltje aan de lucht.