Openbaar kunstonderzoek

Vorige week ging ‘Be(com)ing Dutch’ van start, het project waarmee het Van Abbemuseum de prijs voor culturele diversiteit van de Mondriaan Stichting won. Kunstenaars trekken de samenleving in en rapporteren wat daar gebeurt.

Deelnemers van de ‘gathering’, met rechts vooraan, in lange jas, Annie Fletcher naast directeur Charles Esche, met bril en coltrui foto Merlin Daleman Be[com]ing Dutch. Van Abbe Museum. Eindhoven, 28-01-07 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Nederland is een hoopje zand in een vijver bij het Van Abbemuseum. In dat zand steken lege melkflessen. Een rood-wit-blauwe vlag wappert er een beetje treurig boven. In de flessen zitten brieven met vragen over kunst.

De Eindhovense kunstenaar Erwin van Doorn bouwde de symbolische zandhoop tijdens de start van het project Be(com)ing Dutch, beter bekend als de winnaar van de ‘allochtonenprijs’ waar vorig jaar door de Nederlandse kunstmusea zo bitter om werd gevochten. Met de 500.000 euro voor culturele diversiteit die het Van Abbemuseum van de Mondriaan Stichting kreeg, willen directeur Charles Esche (44) en projectleider Annie Fletcher (35) aansluiting zoeken bij de veranderingen in kunst en samenleving. Tijdens de start, de gathering genoemd, werd een weekeinde lang gepraat en gekeken naar voorbeelden van uitgenodigde kunstenaars. In november volgt nog een bijeenkomst van drie weken en in mei 2008 eindigt Be(com)ing Dutch met een grote expositie en een boek.

Op 27 januari hoorden zo’n zestig mensen in het auditorium kunstenaarsduo Bik Van der Pol uitleggen hoe ze in het Ierse Cork de plaatselijke geschiedenis tastbaar hebben gemaakt. Ze deden dat met films over huizen en schuurtjes die daar sinds de jaren twintig worden gemaakt van verpakkingmateriaal van de Ford-fabrieken. Andere kunstenaars kwamen vertellen hoe ze onderdoken in de culturen van de Bijlmer of hoe ze camera’s uitdeelden aan tbs’ers die daarmee hun leefwereld fotografeerden. Voorbeelden waarmee Esche en Fletcher duidelijk willen maken waar het om gaat in Be(com)ing Dutch. Kunst moet de samenleving in en onderzoeken wat daar gebeurt.

Ook willen ze het museum opengooien voor niet-westerse kunstenaars, want de tijd van de monocultuur is volgens hen voorbij. Culturele diversiteit is het codewoord. Niet alleen wat betreft de afkomst van de kunstenaars, maar ook in de onderwerpen. Want westerse kunstenaars moeten hun atelier uit en zich onderdompelen in vreemde culturen. De verwachting is dat op die kunst vanzelf mensen af zullen komen uit andere groepen van de bevolking dan de huidige blanke middenstanders.

Maria Pask liet bewoners van de Bijlmer toneelstukjes en muziekacts opvoeren voor een avond in cultuurcentrum Imagine IC. Het resultaat is deels Idolsvoorronde, deels documentaire, deels buurttheater en misschien deels kunst. Haar video lijkt sprekend op een Endemol-productie en op filmpjes van een familieavond. Net zoals het Ierse project van Bik Van de Pol vooral beelden opleverde die in een doorsnee tv-documentaire niet zouden opvallen.

Moet het museum hier plaats voor maken? Igor Dobricic, docent dramaturgie aan de Amsterdamse theaterschool, is daarvan overtuigd. We zijn hier immers niet op een familieavond en het is geen tv-documentaire. In deze context zet zo’n werk je aan het denken. Het museum mag als fysieke plaats ter discussie staan, als autoriteit is het instituut nog onmisbaar. Dobricic wijst erop dat subsidiefondsen pas over de brug komen als de musea hun stempel van goedkeuring geven. „De films van Pask lijken misschien op Idols, maar ze deconstrueert die vorm, laat zien dat het een vorm is, zonder de mensen belachelijk te maken”, zegt Dobricic.

Directeur Charles Esche bemoeit zich er mee: „Hier in Nederland bepaalt modernisme het begrip kwaliteit. De vraag of dit kunst is, is alleen relevant voor een modernistische blik.” Mensen moeten accepteren dat kunst iets anders kan zijn dan een schilderij aan een witte museummuur, vindt hij. „Het modernisme is net zo voorbij als de oude Grieken.”

„Kunst hoeft echt niet alleen esthetisch te zijn”, vult Fletcher aan. „Het hoeft er evenmin altijd professioneel uit te zien, zoals Pask aantoont. Er zijn heus andere manieren om naar kunst te kijken. En die moeten allemaal een plaats krijgen in het museum.”

Hoe dat moet, dat gaat Be(com)ing Dutch duidelijk maken. Esche vindt het belangrijk dat het onderzoek dankzij de prijs van de Mondriaan Stichting nu eens niet achter gesloten deuren plaatsvindt. Er is geld om het grondig en openbaar te doen. „Het publiek krijgt deze keer eens niet pas bij de vernissage te zien wat ik bedacht heb.”

Waar Be(com)ing Dutch toe zal leiden

, is nog lang niet duidelijk. Esche benadrukt dat hij geen antwoorden paraat heeft. Kunstenaars zullen de komende maanden regelmatig verslag uitbrengen. Bik van Der Pol gaat aan de slag in Eindhoven. Soheila Najand gaat er iets doen met mensen in een volksbuurt en Mario Rizzi zoekt contact met de hoogopgeleide import die in het Natlab werkt. Zulke projecten helpen duidelijk maken wat Eindhoven is, vindt Esche. Zo kun je nationalisme en Nederlanderschap onderzoeken. Net zoals de Ford Boxes iets over Cork en Ierland duidelijk maakten.

Als je Esche en Fletcher over hun project hoort klinkt het alsof het even goed zonder museum zou kunnen. In een winkelcentrum of leegstaand kantoorpand. Dat is echt niet zo, zegt Esche. „Een museum is een plek waar je je moet inspannen. Mensen komen bij ons niet voor esthetisch genoegen alleen, ze zijn op zoek naar een context waarin ze over zichzelf kunnen nadenken.”

Het museum heeft een functie in de gemeenschap, zegt Fletcher. „Bezoekers voelen zich ermee verbonden.” Ze wil wel dat het een uitnodigende ruimte wordt. „Niet alleen maar een plaats waar je de coolste en nieuwste kunst kunt zien.” Het moet een plaats zijn waar je ideeën kunt ontwikkelen, waar kunstenaars werken – ook lokale, zoals nu Erwin van Doorn. Je moet er bijeenkomsten kunnen houden waar iedereen vrij in- en uitloopt. Dat je dan een praktisch probleem met de beveiliging moet oplossen, realiseert ze zich.

Maar hoe het museum ook verandert,

er zal altijd plaats zijn voor de collectie. Fletcher: „Echt goede kunst kun je steeds opnieuw verkennen. Over twintig jaar zal Picasso nog altijd opwindend zijn. Maar je kunt het prima buiten een historische context presenteren. Bijvoorbeeld door er een eigentijdse kunstenaar op te laten reageren, zoals Lily van der Stokker die met haar expositie De Zeurclub reflecteert op de klassieke feministische kunst van de jaren zestig en zeventig.”

Charles Esche herhaalt nog eens dat er heel wat moet gebeuren. „Dat gaat echt verder dan de muren grijs in plaats van wit schilderen. In Tel Aviv is het te laat voor kunst, maar hier kunnen we misschien nog wel iets bereiken.” Die verwijzing naar een land met twee gewelddadig gescheiden culturen tekent zijn somberheid over Nederland. Esche vindt dat de hervormingen urgent zijn. Hij wil het museum en de kunst mobiliseren om tegenwicht te bieden aan politici als Verdonk en Wilders die de angst voor het niet-Nederlandse uitbuiten. Het kan volgens hem nog goed komen, Nederland heeft de afgelopen vijf jaar heftige bewegingen gemaakt, zoiets kan ook de goede kant op gaan. „Kunst kan ons van de gebaande paden leiden”, zegt hij.

Esche en de Mondriaan Stichting zien het Eindhovense avontuur als een testcase. Ook de andere kunstmusea zullen met hun tijd meemoeten. Onder de deelnemers aan het eerste weekeinde van Be(com)ing Dutch waren veel curatoren, kunstenaars, medewerkers van fondsen en andere belangstellenden, maar niemand van de grote musea. „Die komen later wel”, zegt Esche vol zelfvertrouwen.

Tegen het slot van de gathering is Nederland ingestort. Slechts een hoopje geel zand is er over van het kunstwerk van Edwin van Doorn. De vlaggenstok is omgevallen en de driekleur onzichtbaar onder het bruine vijverwater. Een paar flessen dobberen tegen de richel, de andere zijn met de stroom meegedreven. Van Doorn zegt dat verderop in de stad mensen ze hebben gevonden en de brieven hebben gelezen. Antwoorden zijn er nog niet.