Onze nieuwe vaders

De inleiding tot het coalitieakkoord tussen CDA, PvdA en ChristenUnie valt te lezen als een optimistisch pedagogisch document. Wij Nederlanders zijn opnieuw aan het einde van onze puberteit gekomen. We worden geprezen. Over het algemeen hebben we goed ons best gedaan en nu moeten we de rauwe maatschappij in. We leven in een dynamische tijd, wordt ons tweemaal verzekerd. We merken wel dat ons persoonlijk leven steeds leuker wordt, maar tegelijkertijd maakt de wilde buitenwereld ons steeds ongeruster, zo niet banger. Geen nood! Om het hoofd te bieden aan die zee van plagen ‘zal de overheid de mensen mobiliseren, verbinden, ondersteunen en toerusten om hun verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en de samenleving in al zijn verscheidenheid vorm te geven’. We gaan nu wel het huis uit, maar vader en moeder blijven op ons letten. Daar kan niemand tegen zijn.

Ik voel, strikt persoonlijk gesproken, een lichte ergernis bij deze brave, beschermende ondertoon die al in de titel gezet wordt. ‘Samen werken, samen leven’. Het vervolg op de ‘normen en waarden’ en het ‘fatsoen moet je doen’, de leuzen die indertijd de regeerstijl van de minister-president kenmerkten. Eerst zien, dan geloven, zei blinde Maupie. In Nederland is bij mijn weten niet zoveel gescholden, beledigd, geslagen en mishandeld, geblowd, gezopen en gevreten als tijdens zijn kabinetten. Dat is natuurlijk niet zijn schuld. Het is de evolutie in de geest van de natie. Nu, heeft de rechter bepaald, mag je niet meer ‘fuck you’ tegen een agent zeggen. Er zijn mensen die dit als een beperking van de vrijheid van meningsuiting beschouwen.

De regeerstijl van de heer Balkenende, althans de filosofie erachter, heeft me vaak aan Hiëronymus van Alphen doen denken, de dichter die in zijn tijd, eind achttiende eeuw, als vooruitstrevend werd beschouwd. Cornelis had een glas gebroken, voor aan de straat. En aan een boom zo vol geladen mist men één, twee pruimpjes niet. En vooral aan Stoute Piet (niet van Van Alphen) die nooit naar school ging zonder om centen te hebben gevraagd. En dan kocht hij balletjes, snoeperij of krenten. Foei, wat lelijk van die knaap, ’k mag niet met hem spelen, want het is maar zeker waar, van snoeperij komt stelen. In de verte voel ik de dreiging van Stoute Piet, maar in deze introductie komt hij niet voor.

Wel wordt gerefereerd aan een andere goeie ouwe tijd: de jaren vijftig (van de vorige eeuw). ‘Denk aan de saamhorigheid en de lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, aan de solidariteit in de klassieke Verzorgingsstaat, aan een rijk verenigingsleven, aan een publieke sector die vaak gestuurd werd op het beginsel van gelijkheid en het gedeeld waardenbesef in een relatief homogene samenleving.’ Er hangt een floers van heimwee om deze volzin. Je kunt wel merken dat de heren van de nieuwe coalitie na de jaren vijftig zijn geboren.

Dit voorbeeldige tijdperk begon terwijl de laatste soldaten van het ongeveer 150.000 man sterke leger uit Indonesië terugkeerden. Ze hadden daar, tegen alle goede raad van de wereld in, vier jaar een vergeefse oorlog gevochten. Het decennium eindigde toen onze regering onder binnenlandse en buitenlandse druk eindelijk tot de conclusie was gekomen dat het geen zin had, dit drama in Nieuw-Guinea nog eens dunnetjes over te doen. Intussen hadden we nog ons vliegdekschip HMS Karel Doorman naar de Oost gestuurd, ook vergeefs. Verder wordt dit tijdperk gemarkeerd door de fameuze zaak Greet Hofmans waarin het publiek en de pers zich door de regering op historische manier voor de gek lieten houden. En ja, welgestelde arbeiders konden zich in die tijd een bromfiets veroorloven en misschien zelfs een ijskast.

In Nederlandse neoconservatieve kringen is al langer een idealisering van de jaren vijftig gaande. Verlangt dit nieuwe kabinet nu ook naar die periode, ‘toen geluk heel gewoon was’? De heren Balkenende en Rouvoet komen voort uit dat bedaagde paradijs. Is Wouter Bos bekeerd? Binnenkort draagt hij weer een das, net als dr. Willem Drees dat deed.