Nederland heeft het gezicht van de EU bepaald

Wie vreest dat de Nederlandse identiteit in ‘Brussel’ verloren gaat, beseft niet hoezeer de Europese Unie op Nederlandse fundamenten is gebouwd, vindt Ben van der Velden.

Zonder dat er veel debat over is geweest, heeft Nederland de politiek ten aanzien van ‘Europa’ ingrijpend gewijzigd. Den Haag ziet de Europese Commissie niet meer als de beschermster van de kleine lidstaten van de Europese Unie tegenover de grote landen. Nederland vindt dat het zelf voor het ‘nationale belang’ moet opkomen. De Commissie is in Nederlandse ogen niet langer de instantie die het Europese en daarmee automatisch het Nederlandse belang behartigt.

Demissionair minister van Buitenlandse Zaken Bot zei vorig jaar dat Nederland „het station van Gekke Henkie” is gepasseerd en daarom oude multilaterale principes met meer berekening toepast. Als voorbeeld noemde hij dat Nederland heeft bereikt dat het minder aan de Europese Unie betaalt.

Die kwestie van het Nederlandse geld voor de Europese Unie is begin van de jaren negentig van de vorige eeuw door de toenmalige VVD-leider Bolkestein met succes op de politieke agenda gezet. Hij legde zo de basis voor veel onrust over de vraag of ‘Brussel’ het Nederlandse belang en de Nederlandse identiteit in gevaar brengt.

Die kwestie speelde een belangrijke rol bij het debat voorafgaand aan de afwijzing van het Europees grondwettelijk verdrag in 2005. Die zaak komt opnieuw aan de orde als ‘Europa’ terugkomt op de Nederlandse politieke agenda, wat onvermijdelijk is. Kan de Nederlandse identiteit in Brussel oplossen?

Wie zoiets veronderstelt, realiseert zich niet de mate waarin Nederland tot nu toe mede het gezicht van de Europese Unie heeft bepaald. Er geen Nederlandse identiteit in een Brussels gat verdwenen, maar Nederlandse kenmerken zijn tot de Europese Unie gaan behoren.

Dat was al zo bij de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de voorganger van de Europese Unie. Onder Nederlandse druk werd de supranationale bevoegdheid van die organisatie beperkt door de instelling van een Raad van Ministers. Die Raad kent de Europese Unie nog steeds.

Een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Johan Willem Beyen, heeft de aanzet gegeven tot de gemeenschappelijke markt. Die is vastgelegd in het Verdrag van Rome, dat in maart vijftig jaar bestaat. Beyen bepleitte begin jaren vijftig voor deze gemeenschappelijke markt een gemeenschappelijke autoriteit te benoemen als ‘dagelijks bestuur’ – de nu in Nederland dikwijls als een bureaucratisch monstrum afgeschilderde Europese Commissie.

Het veel bekritiseerde Europese landbouwbeleid is in de jaren zestig bedacht door een Nederlandse eurocommissaris, Sicco Mansholt. Nederland heeft daarna tot het einde van de jaren tachtig een leidende rol gespeeld bij de voortzetting en aanpassing van dat landbouwbeleid.

Na Mansholt hebben nog twee Nederlandse eurocommissarissen, Lardinois en Andriessen, de Brusselse landbouwportefeuille gehad. De weerzin tegen de Europese landbouwsubsidies is ontstaan toen Nederland – zoals andere landen eerder – er in de jaren negentig niet meer aan verdiende.

Opeenvolgende Nederlandse ministers van Justitie hebben ervoor gezorgd dat Europees justitiebeleid de Nederlandse coffeeshops en de euthanasiewetgeving niet in gevaar bracht. Zo’n gevoelig onderwerp in de nationale politiek heeft de grens van de compromisbereidheid in Brussel bepaald. Als ooit op het terrein van justitie het vetorecht wordt afgeschaft – zoals in de door Nederland en Frankrijk verworpen Europese grondwet is bepaald – wordt de kans groter dat de coffeeshops en de euthanasiewetgeving in gevaar komen.

Merkwaardig genoeg was het Nederland dat zelf in 1991 Europa meer zeggenschap bij justitie wilde geven. Volgens het plan dat Nederland als Europees voorzitter presenteerde voor het Verdrag van Maastricht, zou justitie bij het gemeenschappelijke Europese beleid zijn gevoegd. Dat Nederlandse voorstel werd op een ‘zwarte maandag’ door de andere landen aan flarden geschoten en daarna bleef de rol van de Europese Commissie en het Europees Parlement bij justitie beperkt.

De perikelen met de verzelfstandiging en de opsplitsing van de Nederlandse Spoorwegen zijn afgedwongen door Europese verdragen, is een veelgehoorde klacht. Maar het was Nederland dat in de jaren tachtig met succes het voortouw nam om de Europese transportsector versneld te liberaliseren. De Nederlander Wisse Dekker, president van Philips en van de European Round Table van industriëlen, schreef 1985 het rapport dat de aanzet gaf tot het maken van vele honderden Europese regels om de interne markt te voltooien.

Minister Zalm van Financiën dwong samen met zijn Duitse collega Waigel in de jaren negentig de landen van het eurogebied tot regels voor het Stabiliteitspact die juridisch waterdicht leken. Maar in dit geval schudde Europa deze Nederlandse kenmerken al weer snel af en maakte de juridische afspraken ondergeschikt aan de politiek.

Nederland heeft zich in de jaren zeventig sterk gemaakt voor een direct gekozen Europees Parlement en is zich daarna altijd blijven inzetten voor het verlenen van meer macht aan de europarlementariërs. In beide gevallen is het Nederlands beleid met succes bekroond.

Maar europarlementariërs worden in Den Haag tegelijkertijd spottend eurofielen genoemd. Bij hun politieke partijen hebben ze weinig gewicht en bij verkiezingen tonen de kiezers een minimale belangstelling.

Nederlandse leden van het Europees Parlement spreken in plenaire vergaderingen meestal hun eigen taal. Ze laten de Nederlandse kant van Europa zien. Maar iemand als Volkskrant-columnist Ronald Plasterk bevalt dat niet. Hij wil aan de ene kant niet dat Nederland in Europa verdwijnt en tegelijkertijd pleit hij ervoor om de veeltaligheid van het Europees Parlement af te schaffen en iedereen dezelfde taal, ‘steenkolen-Engels’, te laten spreken.

Mocht Turkije ooit lid worden van de Europese Unie, dan hebben Nederlandse pleitbezorgers daarbij een grote rol gespeeld. CDA-minister Bot van Buitenlandse Zaken, die ooit ambassadeur in Ankara was, heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij Turkije bij Europa wil hebben. In het Europees Parlement staat de Groene europarlementariër Lagendijk op de bres voor de Turkse toetreding. Maar voor een Turks EU-lidmaatschap is in Nederland niet veel enthousiasme.

De Duitse bondskanselier Merkel wil in maart het vijftigjarige bestaan van het Verdrag van Rome vieren met een verklaring waarin de Europese regeringsleiders aangeven hoe het verder moet met het Europa, waaraan Nederland tot nu toe belangrijk heeft bijgedragen. Ze wil dat daarin de richting aangegeven wordt voor de besprekingen over de toekomst van het Europees grondwettelijk verdrag, dat al door achttien landen is geratificeerd.

Als Europa het niet over een nieuw verdrag eens wordt, is het niet uitgesloten dat het uiteenvalt in een kopgroep en een groep nakomers. In het verleden dacht Nederland bij veronderstellingen over een tweedeling in Europa altijd tot de kopgroep te zullen horen. Nu riskeert het om samen met Polen, Tsjechië en wellicht Groot-Brittannië in een aanhangwagen terecht te komen en zo minder dan in het verleden aan de Europese identiteit te kunnen bijdragen.

Ben van der Velden is oud-correspondent van NRC Handelsblad te Brussel.