Katja’s dagboek

Wat vooraf ging: na vele omzwervingen op zoek naar haar gekidnapte vriend Sebastiaan is Katja met Tjalling in een chique kamer beland. Zou zij hem hier dan eindelijk vinden?

illustratie Daan Remmerts de Vries Klifhanger 9-02-07 Remmerts de Vries, Daan

Wat een opluchting. Eindelijk waren we ergens binnen. Ik had genoeg van al dat buiten, van de zee, de woestijn, het grasland. Er hing een kroonluchter boven ons hoofd te schitteren. Op de grond lag dik rozerood tapijt, waar figuren op gedrukt stonden: een krullerige G en een Z leken het wel, verstrengeld. Was dit een winkel ofzo? Rondom ons waren hoge ramen. Er hingen zwaar fluwelen gordijnen voor. Ik gluurde achter één van de gordijnen en keek prompt mezelf aan. Er zat een spiegel achter, geen raam! Achter het volgende gordijn zat nog zo’n spiegel. En achter het daarop volgende ook.

Maar achter het vierde gordijn vond ik een kamertje, een soort pashok leek het wel. Er stonden twee gestreepte fauteuils en een tafeltje. Op het tafeltje lagen op een servet vijf worstenbroodjes. Eten! Echt eten! Toen ik het derde broodje ophad, riep ik Tjalling erbij: „Kijk eens; voor ons allebei één!”

Even later slikte ik de laatste hap door. Ik liep naar weer een gordijn, veegde mijn vingers eraan af en trok het open. Wéér een spiegel. Ik liep verder. Toen alle gordijnen open waren, werden we omringd door spiegels. „Wauw”, mompelde Tjalling. Hij veegde zijn glimmende kin af en zette een paar passen naar voren. „Echt wauw. Het lijkt wel een spiegelpaleis”.

Hij stak zijn hand naar me uit. Ik greep hem vast. Hand in hand liepen we naar het midden van de kamer, tot we pal onder de kaarsenkroon stonden. Het voelde… ik weet het niet, plechtig ofzo. Langzaam begonnen we rond te draaiden. Elke spiegel weerkaatste het beeld uit de tegenoverliggende spiegel, die dat dan weer terugzond. En zo was het alsof er rijen en rijen Tjallingen en Katja’s om ons heen draaiden, in onafzienbare hoeveelheden… Hij en ik. Ik en hij. We lachten en hielden elkaars hand vast en ik streek met mijn duim over die van hem. We draaiden vlugger, en vlugger, en vlugger.

„Ho”, riep ik, „Ik word misselijk!” Maar we konden niet meer stoppen. We draaiden maar door, steeds sneller in het rond. Het was alsof onze voeten de vloer niet meer raakten. We vlógen. En alle Katja’s en Tjallingen om ons heen, die vlogen ook. Ik zag ze steeds vager. Maar plotseling zag ik wel iets anders, daar in die spiegels. Ik zag de werelden waar we doorheen gereisd waren, ontdaan van al hun schoonheid: de gesmolten Barbies, de leeggelopen zee, de gesprongen buis waarin Tjalling had vastgezeten, de woestijn vol kapotte eenden en toen – het was niet te geloven! Ik ving een glimp op van Sebastiaan. Ik herkende hem meteen, zijn witte haar, zijn lenige lijf. Hij hing ergens aan, leek het wel. In een flits was het voorbij. Ik kon wel huilen. Maar op dat moment drong Tjallings stem tot me door. „Heit!” schreeuwde hij. „Mem!”

Wordt vervolgd