Ik en de Pijnberg

Een queeste naar de berg waar Noach strandde, moet Frank Westerman antwoord geven op de vraag waar het geloof van zijn kindertijd is gebleven. Slaagt hij, en levert dat een goed boek op?

De berg Ararat, alias Agri Dagi (Pijnberg), alias Masis (Moederberg), op de grens van Turkije, Armenië en Iraans Koerdistan Foto Ullstein Bild Kurden Siedlung am Fusse des Berg Ararat, 5165m,Tuerkei, Anatolien - 04.07.2003 ullstein - JOKER/Allg”wer

Frank Westerman: Ararat. Atlas, 284 blz. €19,90.

De datum was 19 maart 2005; de plaats de Handelsbeurs in Gent; de gelegenheid de uitreiking van de Gouden Uil, Vlaanderens belangrijkste literaire prijs. Toen aan het einde van de rechtstreekse televisie-uitzending de camera’s op Frank Westerman werden gericht, en de prijs van 50 duizend euro werd toegekend aan zijn reportageroman El Negro en ik, reageerde de opgetogen laureaat met een hartekreet. Het was goed dat een non-fictieschrijver een literaire onderscheiding had gewonnen, zei hij, maar het zou nog beter zijn als in het vervolg het hele onderscheid tussen fictie en non-fictie op de helling ging: „Ik stel de tweedeling frictie en non-frictie voor, waarbij boeken uit het eerste genre ontwrichten, prikkelen, choqueren of ons wereldbeeld net een graadje uit het lood zetten.”

Het was duidelijk welk genre Westerman wilde beoefenen. Niet alleen in El Negro en ik, dat het verhaal van een opgezette Bosjesman uit de 19de eeuw verbond met de kantelende kijk op andere rassen (én de groeiende twijfel aan het nut van ontwikkelingshulp); maar ook in zijn eerdere non-fictieboeken, waarin hij de agrarische geschiedenis van Oost-Groningen of de staatsliteratuur van de dictator Stalin koppelde aan politieke, maatschappelijke en zelfs psychologische ontwikkelingen. Prikkelend waren De graanrepubliek en Ingenieurs van de ziel zeker; ze maakten waar wat Westerman beklemtoonde in een interview dat hij naar aanleiding van zijn Gouden Uil gaf: „Het gaat erom dat een tekst iets loswrikt, dat kan evengoed in een waargebeurd als in een verzonnen boek.”

Kindertijd

Het onderwerp van Westermans gisteren verschenen boek Ararat belooft opnieuw een flinke dosis frictie. Reizend tussen Holland, Drenthe, Armenië en Turkije, en heen en weer springend tussen heden en verleden, probeert de auteur de vraag te beantwoorden waar het geloof van zijn kindertijd is gebleven. Ergens op zijn levenspad, tussen school en universiteit, is het verloren gegaan: ‘Er was geen scherpe breuk geweest, er was ook niets uitgesproken. Religie in welke verschijningsvorm dan ook was ik gaan zien als toneelspel, een doorlopende, door mensen bedachte en geënsceneerde voorstelling.’

Het symbool van zijn onbekommerde geloof in de Bijbel is voor Westerman Ararat, de berg waarop de ark van Noach vastliep op een woensdag in het jaar 2348 voor Christus, 1656 jaar na de schepping van de wereld, althans volgens de tijdrekening van de 17de-eeuwse bisschop James Ussher. De aartsvader had met zijn schip vol levende have een halfjaar rondgedobberd, nadat God ‘de bronnen van de oervloed en de sluizen van de hemel’ had opengezet om de wereld te verzwelgen. Op Ararat zag Noach de regen ophouden, liet hij een duif los om de wateren te testen, en bouwde hij een altaar om de Heer te danken met rein vee en reine vogels (daarmee de eerste diersoorten tot uitsterven veroordelend). Het gebergte, op het drielandenpunt van Armenië, Turkije en Iran, is de eerste geografisch herkenbare locatie in de Bijbel, zo meldt de vorig jaar verschenen ‘Blokkerbijbel’, en moet volgens vele generaties raiders of the lost ark nog steeds de resten van de enorme boot herbergen.

Westerman ziet de Ararat voor het eerst in 1999, als correspondent van NRC Handelsblad in Rusland. Het is het begin van zijn fascinatie: ‘Ik wilde deze heilige berg beschouwen en uiteindelijk beklimmen, met oog voor zowel de mythe als de realiteit. Het moest een soort pelgrimage worden, maar dan: de pelgrimage van een ongelovige.’

Maar het is niet het begin van zijn boek. Dát wordt gevormd door het trauma dat hij opliep toen hij als elfjarige door een bergbeek in Oostenrijk werd meegesleurd en ternauwernood (dankzij Gods hand) aan de dood ontsnapte. Alle elementen die een rol zullen spelen in het boek zijn hier op een slimme manier verenigd: de geologie (in de vorm van de geslepen keien in de beek), de zondvloed (plotseling wassend water), het godsgeloof, en niet te vergeten Frank Westerman. Ararat is een hoogstpersoonlijk boek; de ‘ik’ staat dit keer niet in de titel, maar hij is op bijna alle bladzijden van de roman terug te vinden, en wij volgen hem. Naar ’t Haantje in Drenthe, waar zich anno 1965 in de nabijheid van het gezin Westerman een ramp bij een olieboring voltrok die ten minste één iemand tot een dieper geloof zou brengen. Naar Delft, waar de ‘ik’ zich samen met de geoloog Salomon Kroonenberg documenteert over de Ararat. En uiteindelijk naar de berg zelf, die met zijn 5165 meter nog een hele klim is.

Niet alle omzwervingen en uitweidingen van Westerman lijken even relevant voor zijn queeste; tenminste, in de beleving van de lezer. Van het bezoek dat hij met zijn dochtertje brengt aan Teylers Museum in Haarlem, de bergplaats van een fossiel dat eens werd aangezien voor ‘de mens die getuige was van de zondvloed’, kun je nog zeggen dat het van belang is voor het verhaal – al blijkt daar niet zoveel van. En ook de correspondentie met zijn oude wiskundeleraar, hoe weinig opwindend ook, zou je kunnen lezen als een illustratie van ‘het weten waarmee ik me graag had laten injecteren [en dat] was gaan werken als een serum tegen het geloven’. Maar wat te denken van het verslag van het weekendje Istanbul, dat couleur locale moet verschaffen aan een uiteenzetting over het zondvloedthema in oude geschriften? Of van zijn bezoek aan de stad Kars (vorige week deels voorgepubliceerd in het Cultureel Supplement van deze krant), waar hij in de voetsporen treedt van de personages van Orhan Pamuks Nobelprijswinnende roman Sneeuw?

Met dit hoofdstuk (‘Het woord’) is sowieso iets vreemds aan de hand. Westerman komt ’s middags aan op het vliegveld van Kars, en laat zich – tegen de zin van de taxichauffeur die graag wil dat hij in een plaatselijk hotel overnacht – naar het busstation in de binnenstad brengen. Hij wil per se naar Dogubayazit, dat drie uur verder rijden aan de voet van de Ararat ligt; maar de laatste bus is al vertrokken. ‘Ik gaf me gewonnen,’ schrijft Westerman. Hij gaat naar een hotel, maakt een wandeling en mijmert al doende over zijn fascinatie voor Sneeuw (dat hij goed blijkt te kennen) en zijn verwantschap met de hoofdpersoon (ongeveer even oud, een ‘bijgelovige atheïst’, op zoek naar de spiritualiteit van zijn jeugd). Zijn verblijf in Kars blijkt heel mooi in zijn reportage te passen. Te mooi. Want zeg nu zelf: welke lezer van Sneeuw zou Kars links laten liggen en doorreizen naar een veel minder interessant stadje, als hij er met het vliegtuig landde en geen bijzondere haast had? Waarom zegt Westerman niet gewoon dat hij zijn bezoek aan Kars zorgvuldig gepland heeft omdat het perfect past in zijn verhaal over het geloof en de wereld?

Natuurlijk irriteert dit soort dingen je niet als je door een reisverslag wordt meegesleept; ik kan me in elk geval geen ergernis herinneren bij El Negro en ik, dat volgens hetzelfde procédé is geschreven. Maar in Ararat duurt het niet lang voordat je gaat letten op het kokette leentjebuurten bij de literaire bibliotheek (‘A-ra-rat: je tong komt in drie keer trapsgewijs omhoog tegen je verhemelte en tikt bij ,,drie” tegen je tanden’); op de overbodige persoonlijke informatie (sms’jes naar vrouw en kind); op de mooischrijverij (‘ik proefde [de woorden] op mijn tong, zoog erop tot ze de juiste kleur hadden en reeg ze aaneen tot kralensnoeren’); en op de overdosis sentiment: ‘,,Papa, weet jij wat geluk is?” / Ik lepelde het schuim van mijn cappuccino. Dit moment, wilde ik zeggen, maar ik zei: ,,Nou?”’ Om maar niet te spreken van de rode draad die door het boek is heengevlochten: Westermans verwoede pogingen om een visum los te krijgen voor het beklimmen van de Ararat. Ik ben geen wonder op het web, maar had maar een paar muisklikken nodig om drie verschillende georganiseerde reizen inclusief visum naar Ararat te kunnen boeken (zie www.stonepark.com, www.anatolianadventures.com en www.ayf.com).

Schaduw

Het werpt allemaal een zware schaduw op wat wél geslaagd is in Ararat, zoals Westermans fascinatie voor de ‘Pijnberg’ en de vele mooie zinnen die in dit non-fictieverhaal wel degelijk te vinden zijn. ‘Kets twee zinnen tegen elkaar en er ontstaat vuur,’ schrijft Westerman aan het begin van zijn boek, en ja, af en toe gebeurt dat ook echt. Een ‘zwaarlijvig’ vliegtuig maakt een boog ‘over de Kaukasus met zijn uitgedoofde en actieve oorlogen’. In het Engels van een olieboorder borrelt ‘om de paar zinnen een Engelse term’ op. En over zijn naar Drenthe verhuisde ouders zegt hij ‘Mijn ouders waren dolgelukkig, ze moesten wel.’ Je zou kunnen concluderen dat het jammer is dat Westerman zijn neiging tot dooremmeren niet wat beter in toom heeft gehouden. De ruimte die hij dan had uitgespaard, had goed besteed kunnen worden aan bijvoorbeeld de doorwerking van het Noach-verhaal en de Ararat in de hedendaagse (populaire) cultuur. Nu wordt alleen Julian Barnes’ briljante roman A History of the World in 10½ Chapters in de Verantwoording genoemd, maar schitteren Jeanette Wintersons Boating for Beginners, Michelle Roberts’ The Book of Mrs Noah en Spielbergs Raiders of the Lost Ark door afwezigheid.

‘Vertil je niet aan de ark van Noach’, luidt het advies dat Westerman krijgt van zijn oude wiskundeleraar. En in een oude kroniek vindt hij de woorden: ‘Gaat ge jagen op de edele Masis [Moederberg], de geesten zullen u grijpen en meesleuren in de spelonken.’ De waarschuwingen hebben niet mogen baten. In zijn vijfde boek verdwaalt Frank Westerman ergens halverwege tussen de frictie en non-frictie.