Goochelen met reputaties

De Britse kunstenaar Gavin Turk koketteert met de roem van zijn collega’s. Maar zijn werk is alleen geslaagd als hij ook zijn eigen mythe in stand weet te houden.

Gavin Turk, ‘Double Red Che’, 2005. (180 x 250 cm) foto Stephen White, courtesy Jay Jopling/ White Cube, Londen

Ha, een meevaller! Het is de zaterdagmiddag voor de opening van de Gavin Turk-tentoonstelling in het GEM in Den Haag. De criticus heeft net een kleine voorbezichtiging achter de rug van een tentoonstelling vol Gavin Turk-ideeën, Gavin Turk-handtekeningen en foto’s en beelden van mannen die heel goed Gavin Turk zouden kunnen zijn. Hij draalt nog wat voor Turks dubbelportret van Che Guevara. Ineens loopt vanuit een achterdeur een man de zaal binnen. Het is Turk zelf! Of toch niet? Het is een raar idee – of je naar een zaal vol Heilige Madonna’s zit te kijken en Maria komt binnengewandeld. Maar toch – deze man lijkt meer op een bouwvakker dan op de Engelse kunstenaar die zo gretig speelt met kunstenaarsmythes en reputaties.

Andy Warhol slaagde er ooit in om verschillende universiteitslezingen te laten geven door een acteur met een Warhol-pruik en een zonnebril op. Zelfs na vijf lezingen had niemand iets door. Deze Turk draagt een blauwe trui en hij loopt gehaast, met fladderende ledenmaten. Hij heeft rode ogen. Wallen. En hij praat in zichzelf, luid en in nogal plat Engels. Goh. Gavin Turk. In het echt. Zou je zeggen.

Het is niet onwaarschijnlijk dat Gavin Turk (Guildford, 1967) zo’n kleine cameo appearance zou opzetten. Turk houdt ervan om zijn kunst te combineren met verwarring en ongrijpbaarheid – zo bleek later die dag dat op de feestelijke opening van The Negotiation of Purpose alle werken met doeken waren bedekt, volgens Turk om het bier drinkende en socialiserende publiek met zijn eigen desinteresse te confronteren. (Dat werkte overigens uitstekend: volgens toeschouwers werden sommige museumbezoekers behoorlijk kwaad op de kunstenaar.) Dat de opening zo meteen één grote Christo-installatie werd, was voor Turk ongetwijfeld een nieuwe kerf op zijn stok.

Al vanaf het begin van zijn carrière

is Gavin Turk gefascineerd door de mythe van het kunstenaarschap. Dat begon al met Cave, zijn afstudeerproject op het Royal College of Art, waarbij hij een grote blauwe ‘heritage-plaquette’ presenteerde – zo’n bord dat je in Engeland soms ziet op gevels om de voorbijganger aan de vroegere aanwezigheid van een beroemdheid te herinneren. Op Turks afstudeerbord stond: ‘Borough of Kensington / Gavin Turk Sculptor/ Worked here 1989 – 1991’.

Na zo zijn eerste mythe te hebben geschapen (daarbij geholpen door examinatoren die hem lieten zakken) stortte Turk zich op de mythe van anderen – met een gretigheid die soms tot in het ridicule werd doorgevoerd. Het beroemdste voorbeeld daarvan is Pop: een wassen beeld van Turk, gekleed als Sex Pistols-bassist Sid Vicious en staand in de houding van Elvis Presley op de beroemde Andy Warhol-schilderijen. Ook bouwde Turk z’n eigen handtekening na in Yves Klein-blauwe sponzen (Unoriginal Signature, 1996) en maakte hij (op z’n Piero Manzoni’s) uitsneden in de vorm van zijn naam in een reeks lege eieren (One thousand, two hundred and thirty four eggs 1997). Tegelijk begon hij met het hernemen van een reeks beroemde portretten in Andy Warhol-stijl, waarbij hij het gezicht van de geportretteerde (Warhol zelf, Joseph Beuys, Che Guevara, Elvis Presley) vermengde met dat van hemzelf.

Het curieuze aan al deze werken is dat hun betekenis steeds verandert naarmate Turks status als kunstenaar verandert. Waren de vroegste handtekeningbeelden vooral werken van een onbekende kunstenaar die zo nodig met grote namen moest koketteren, naarmate Turk meer succes kreeg werden ze Gavin-Turk-neemt-een-nieuwe-beroemdheid-op-de-hak, tot zelfs naar-wie-verwijst-Gavin-Turk-nu-weer? En dat laatste gebeurde sneller dan gedacht: Turk werd al snel opgestuwd door de Young British Artists (YBA), de beweging van jonge Britse kunstenaars die in de jaren negentig wereldwijd furore maakte onder leiding van Turks leeftijdsgenoten Damien Hirst en Sarah Lucas. Net als hij waren zij dol op het spelen met hun persoonlijkheid en het ironiseren van de kunstgeschiedenis, en allemaal werden ze in Groot-Brittannië al snel even bekend als sommige van de kunstenaars naar wie Turk verwees.

Juist om die reden is het interessant

dat het GEM het Turk-overzicht (het eerste in Nederland) nu, op dit tijdstip, organiseert. De grote roem is nu voorbij; de YBA is zelf alweer enkele jaren kunstgeschiedenis geworden en het klimaat in de wereld is zozeer veranderd dat de speelse, venijnige, maar zelden gevaarlijke ‘kunst-over-kunst’ van de YBA ineens ouderwets lijkt – en dat geldt ook voor Turk, ook in het GEM. Hoewel Turk nog geen veertig is, heb je toch al het gevoel langs contemporaine kunstgeschiedenis te lopen: je ziet de paragrafen uit de kunstgeschiedenisboeken als het ware al voor je: ‘Tot 2000 is de beeldende kunst vooral bezig met zichzelf, haar betekenis en haar status die ze door de eeuwen heen verworven heeft. Vanaf 2001 keren beeldend kunstenaars steeds vaker terug naar de artistieke oerwaarden: prikkelen, ontroeren, aan het denken zetten.’

Turk moet dat ook hebben beseft, want vanaf het begin van deze eeuw gaat hij minder handtekeningenwerk maken en breidt hij een ander element in zijn oeuvre uit: de bronzen beelden. Brons is het klassieke beeldhouwmateriaal bij uitstek, symbool voor robuustheid, eeuwigheid en gestold imponeergedrag. Het is dan ook typisch Turk om die rol om te draaien: hij gebruikt het brons om die ‘klassieke’ eigenschappen te ridiculiseren. Dat begint aanvankelijk als een grap, zoals bij de verfroller die hij in 1998 in brons liet uitvoeren (Bronze roller). Maar allengs worden zijn bronzen beelden beter, perfecter uitgevoerd en daardoor verwarrender. Prachtig is bijvoorbeeld de stapel vuilniszakken, inclusief gele binders die bij de ingang van de GEM-expositie ligt, net als de half afgebrande lucifer of het schuimrubberen bekertje, inclusief laagje koffie op de bodem. Al bestaat de kracht van deze beelden er vooral uit dat je je blijft verbazen over het feit dat het brons zo onzichtbaar is. Tegelijk doen deze werken wel erg sterk denken aan de installaties uit de jaren negentig van het Zwitserse kunstenaarsduo Fischli en Weiss, dat op dezelfde onzichtbare manier met piepschuim hele kantoren nabouwde.

Spannender wordt het als Turk erin slaagt verder te reiken dan imitatio. Erg mooi bijvoorbeeld is Nomad (2003), een beeld van een oude, goedkope, paarse slaapzak die zo gevuld is dat je vermoed dat er een zwerver in ligt – het is dus een volledig bronzen beeld. Iets soortgelijks geldt voor Ariadne (2006): een minuscuul klokhuis van een appel, kaalgevreten en ingedroogd, waarbij je alleen nog maar de rode uiteinden van de appel ziet, het steeltje, wat pitjes. Hier wordt Turks materiaal werkelijk een kracht: de robuustheid van het brons botst zo sterk met de teerheid van het klokhuis dat Ariadne zowaar een ontroerend beeld is. En verdomd: ineens is Gavin Turk al dat mythengezoek overstegen.

Juist het feit dat Turk na vijftien jaar werken uitkomt op zo’n klein, teer beeldje, maakt dit GEM-overzicht interessant. Zijn beelden zijn zeker lang niet altijd even overtuigend, daarvoor zijn ze soms te witty en te clever (een pubuithangbord met Gavin Turk erop, twee platgeslagen bierblikjes in brons). Maar ik moet ook bekennen dat het lang geleden is dat ik op een tentoonstelling zoveel heb gegrinnikt als op The Negotiation of Purpose.

Wat deze tentoonstelling werkelijk intrigerend maakt is dat je een kunstenaar kunt aanschouwen op een breukvlak in zijn carrière. Juist nu Turk de tijdgeest tegen heeft, wordt steeds duidelijker dat zijn gegoochel met reputaties alleen maar werkt als hij erin slaagt de mythe rond zijn eigen kunstenaarschap in stand te houden. Dat is een delicate balans: verzwakt zijn werk, taant zijn reputatie en ontglipt hem zijn roem, dan verdwijnt ook het fundament onder zijn oeuvre: een kunstenaar die koketteert met roem terwijl niemand hem kent is een tragische sukkel. Wie dat beseft, weet hoezeer Turk in zijn nieuwste werk op eieren loopt. Als hij verzwakt, verliest hij alles. Blijft hij goed dan wordt zijn oeuvre steeds groter en ongrijpbaarder, net zoals bij beroemde voorgangers als Warhol of Beuys. Die status heeft Gavin Turk nog lang niet bereikt en de balans lijkt wankel, zeker nu hij de komende tijd in gevecht moet met de grote mythendoder: de tijd. Maar als hij dat gevecht weet te winnen, is hij groot.

Gavin Turk: The Negotiation of Purpose. T/m 20 mei in het GEM, Museum voor actuele kunst, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Di t/m zo 12-18u. Inl: www.gem-online.nl

    • Hans den Hartog Jager