Goh, sneeuw

Grutjes, sneeuw. Rampspoed dreigde Nederland gisteren te treffen, toen een sneeuwval van tien centimeter werd voorzien. Het KNMI gaf een weeralarm af, Rijkswaterstaat ontraadde automobilisten de weg op te gaan en de NS decimeerden de dienstregeling. Het resultaat was een nodeloze paniekstemming, lege winkels, scholen in dubio, gesloten kinderopvang, gemiste productie in het bedrijfsleven en wat dies meer zij. En dat alles uiteindelijk voor niets. De avondspits was van de weeromstuit zelden zo rustig.

Nog niet zo heel lang geleden liet het land slecht weer gelaten over zich heen gaan. Het hoorde erbij. Sneeuw in de winter werd verwelkomd als een fraai natuurverschijnsel waaraan de kinderen pret beleefden en waarvan volwassenen hooguit enig ongemak ondervonden. Anno 2007 is de eerste de beste sneeuwdag kennelijk reden voor groot alarm.

Hier ontmoeten twee krachtige trends elkaar, die de laatste jaren in opkomst zijn in de Nederlandse samenleving. De eerste is grote gebeurtenissen allereerst als evenement te presenteren, als bron van gezamenlijke opwinding in een bestaan waarin enkel superlatieven nog lijken te mogen doordringen tot het collectieve bewustzijn. De tweede is een toenemende risicoaversie. Nare dingen gebeuren nu eenmaal, toeval speelt altijd een rol, maar de acceptatie vermindert dat het leven zo in elkaar zit. Want dat er zo iets bestaat als het lot, als pech, is geen vanzelfsprekendheid meer.

De schuldvraag wordt bij calamiteiten sneller gesteld, ook als deze niet toepasselijk is. En dus nemen de autoriteiten het zekere voor het onzekere. Niemand, en zeker geen bestuurder, die nog durft te zeggen dat het nogal onnadenkend is om zoveel mensen te zien op een afgeladen wankele trap aan een Utrechtse gracht, en er dan zelf ook maar bij te gaan staan, of eronder. Het individu maakt op zijn beurt zichzelf te snel tot onwetend en onverantwoordelijk slachtoffer. De overheid trekt bij voorbaat het boetekleed aan en weet de volgende keer wel beter: liever een nodeloze waarschuwing dan het geringste risico betrapt te worden op nalatigheid. Het besluit van de spoorwegen om bij voorbaat al minder treinen te laten rijden, duidt op een schokkend gebrek aan zelfvertrouwen.

Dat het weer gisteren, zelfs als het zo erg was geweest als voorzien, voor problemen zou hebben gezorgd is aannemelijk. De infrastructuur in met name de Randstad is ernstig overbelast en daardoor des te gevoeliger voor ongemak en calamiteiten. Maar de schade die is aangericht door de angst van de autoriteiten om in de fout te gaan, is waarschijnlijk groter dan de schade die was ontstaan als de sneeuwbui heviger zou zijn geweest dan hij uitviel. Het weeralarm is in principe een goede vondst. Zo werkte het tijdens de storm van afgelopen maand uitstekend. Maar dat neemt niet weg dat het alarm niet lichtvaardig mag worden gebruikt, zoals gisteren. Al was het maar om te garanderen dat het de volgende keren nog steeds serieus genomen wordt.