Gewild, ongewenst

De VS heten vaak hét voorbeeld voor succesvolle immigratie. Ten onrechte, want de geschiedenis toont een permanente worsteling tussen economisch voordeel en sociale kosten van immigranten.

Aristide R. Zolberg: A Nation by Design. Immigration Policy in the Fashioning of America. Harvard University Press, 658 blz. € 45,99

Amerika wordt in de wereld gezien als een uitzondering en ziet zichzelf als een natie met een bijzondere bestemming. Kern van dat zelfbeeld is het idee dat het land een ‘natie van immigranten’ is. Iedereen heeft in zijn familiegeschiedenis een verhaal over herkomst en aankomst. Amerika is niet alleen het machtigste land in onze tijd, het is ook de meest diverse samenleving die is ontstaan uit een geschiedenis van voortdurende immigratie.

Dat beeld van een natie van immigranten wordt vaak voorgehouden aan Europa, dat zich maar niet kan losmaken van haar eigen bevangenheden. Het verwijt beklijft, al was het maar omdat het zo vaak is herhaald. Het meest voor de hand liggende maar ook het minst interessante antwoord is dat de immigratie in Europa een hoge vlucht nam toen de natievorming al in een ver gevorderd stadium was, terwijl in de nieuwe wereld de komst van migranten vanaf het begin was verweven met het verhaal dat de Amerikanen over zichzelf vertelden.

Die verschillen zijn onmiskenbaar en geven aan de immigratie aan beide kanten van de oceaan een andere uitwerking. Maar veel interessanter is het om de vergelijking serieus onder ogen te zien. Dat dwingt namelijk tot een precieze blik op de Amerikaanse ervaring en dan blijkt al snel dat achter het trotse zelfbeeld van Amerika als een natie van immigranten veel meer strijd en onzekerheid schuilgaat dan vaak wordt aangenomen. Misschien zijn die verschillen tussen het hedendaagse Europa en Amerika wel aanzienlijk minder groot dan vaak wordt aangenomen.

De immigranten kwamen – in totaal rond de zeventig miljoen in de afgelopen twee eeuwen – maar ze waren lang niet altijd welkom. Over die weerstand in de Verenigde Staten zijn de meeste kenners het wel eens. Leonard Dinnerstein en David Reimers schrijven in hun standaardwerk Ethnic Americans (1999) over de immigratiegeschiedenis van de Verenigde Staten: ‘De immigranten kwamen met hoge verwachtingen en waren over het algemeen niet voorbereid op de koele ontvangst die hun werd bereid door vele Amerikanen’.

Die relativering van Amerika als het land van het Vrijheidsbeeld wordt bevestigd in A Nation of Immigrants van de bekende politieke wetenschapper Aristide Zolberg. In wat nu al als een standaardwerk over de Amerikaanse immigratiegeschiedenis kan worden aangeduid, beschrijft hij hoe vanaf het begin van de onafhankelijkheid is gestreden over de aard en de omvang van de gewenste immigratie. Er is dus geen sprake van dat tot het einde van de 19de eeuw burgers en bestuurders de zaak op zijn beloop lieten, zoals vaak is aangenomen.

Interessant is dat Zolberg – zelf kind van Poolse joden die voor de oorlog via België naar Amerika zijn gevlucht – het conflict over de immigratie anders interpreteert dan de laatste decennia gebruikelijk is geweest. De roep om beperking van de immigratie zou in die traditionele visie vooral een uitlaatklep voor andere frustraties geweest zijn. Zolberg is het daar niet mee eens, want omvangrijke migratie stelt volgens hem altijd het sociale en het culturele compromis in een land op de proef en is een ‘legitieme bron van zorg’.

De auteur is duidelijk een sociale wetenschapper die zich waagt aan geschiedschrijving. Naast een feitelijke reconstructie, die zeer gedegen is, is hij meer dan de gemiddelde historicus geïnteresseerd in grote lijnen. Zo spreekt hij onbekommerd over de ‘eeuwige dialectiek’ van Amerikaanse immigratie: massieve immigratie roept weerstanden op bij de ingezetenen, die op hun beurt weer leiden tot een politieke mobilisatie van immigranten. Zo stelt hij het conflict centraal en ziet hij de kracht maar ook de kwetsbaarheid van de liberale democratie in reactie op massamigratie.

De nadruk op het politieke proces komt tot ook uitdrukking in de titel: A Nation by Design. Daarmee wil hij duidelijk maken dat de immigratie in de VS onderdeel is geweest van een bewust proces van natievorming, waarbij vanaf het begin de vraag aan de orde was ‘welke migratie hebben we nodig en welke niet’. De Founding Fathers maakten zich niet alleen druk om economische zelfstandigheid van nieuwkomers, maar ook over hun democratische gezindheid. Zoals Jefferson schreef: ‘Mensen die zijn opgegroeid onder autoritaire verhoudingen hebben de neiging om vrijheid te verwarren met bandeloosheid’.

Een eerste uiting van die onzekerheid was de strijd over naturalisatie van immigranten. Welke termijn en welke voorwaarden zouden daarbij moeten gelden? De vroegste voorstellen gingen in een meer liberale richting, maar in 1798 werd met één stem meerderheid een wet aangenomen die de termijn van naturalisatie op maar liefst veertien jaar stelde. Na de verkiezing van Jefferson in 1800 werd een compromis bereikt: de periode dat een immigrant in Amerika moest verblijven voordat hij staatsburger mag worden zal vanaf dat moment vijf jaar bedragen. Dat geldt nu nog.

Een vroege vorm van staatsinmenging is de ‘Passengers Act’ van 1819, die niet alleen de scheepvaartmaatschappijen dwong tot een menswaardiger vervoer van de immigranten, maar ook de gangbare praktijk wilde doorbreken van migranten die de kosten van hun overtocht betaalden door langdurige afhankelijkheid van een werkgever. Dat systeem werd door velen gezien als een vorm van ‘blanke slavernij’. In steden als New York groeide de bezorgdheid over het beroep dat nieuwkomers deden op de armenzorg. Zolberg concludeert, anders dan gebruikelijk, dat de Passengers Act naast de humanitaire doelen ook bedoeld was om vooral de middenklasse uit Europa aan te trekken, want het waren natuurlijk vooral de armen die zich lieten vangen in deze moderne vorm van lijfeigenschap.

Vanaf het begin is in de Amerikaanse geschiedenis een conflict zichtbaar tussen de degenen die economisch voordeel hebben bij de migratie en degenen die de sociale kosten van de nieuwkomers moeten dragen, bijvoorbeeld door de druk op het loonniveau aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Amerikaanse arbeidersorganisaties hebben vaak verzet aangetekend tegen de migratie. Zolberg citeert bijvoorbeeld de mijnwerkersbond uit 1855 in een brief aan werkgevers: ‘Onze werklui willen de waarde van hun inspanningen hooghouden in een onderlinge wedijver, maar jullie staan de kapitalisten toe om Chinese arbeiders te importeren die het evenwicht verstoren. Zo zegeviert het kapitaal en worden de werkende armen van Amerika onderworpen aan een heilloos offer’.

Zolberg zegt dat de massa-immigratie het antwoord geeft op de beroemde vraag waarom er in Amerika geen socialisme is. Door de voortdurende instroom van gemakkelijk manipuleerbare arbeidskrachten konden werknemers moeilijk een machtspositie opbouwen. Over de lange termijn genomen hebben de ‘kapitalisten het gewonnen van de nativisten,’ meent Zolberg, en heeft Amerika een tamelijk open immigratiepolitiek gevoerd. Maar er zijn drie episoden waarin de roep om vérgaande beperking toeneemt en duidelijke meerderheden weet te mobiliseren: in het midden van de 19de eeuw, tussen 1880 en 1920 en tenslotte vanaf begin jaren tachtig tot midden jaren negentig.

Zolberg laat zien dat de episoden waarin het ‘nativisme’ (nativism) – we zouden nu zeggen populisme – Amerika in zijn greep krijgt telkens volgen op decennia van zeer grootschalige migratie, waarbij niet alleen de omvang maar ook de aard van die migratie opmerkelijk is. Wanneer we bijvoorbeeld de eerste fase van het verzet tegen de migratie bekijken, dan ging daar een decennium van omvangrijke migratie van vooral Ieren aan vooraf. Tussen 1850 en 1860 stijgt het aandeel van de migranten op de blanke bevolking van 11.5 naar 15 procent.

De momenten dat meerderheden zich verzetten tegen de immigratie komen dus niet uit de lucht vallen. Dat is een belangrijke vaststelling, want één van de gangbare ideeën is juist dat er géén samenhang is tussen de omvang van de migratie en de problematiek van integratie. De redenering daarachter is dat verzet tegen immigratie in feite gaat om het irrationele zoeken van een zondebok in tijden van economische of culturele onzekerheid. Dat gebrek aan zelfvertrouwen wordt dan botgevierd op de onschuldige nieuwkomers, net zoals het antisemitisme niets te maken heeft met het doen en laten van joden.

De Ieren riepen halverwege de 19de eeuw een enorme weerstand op, die zich vertaalde in de grote beweging van de zogenaamde Know-Nothings, later de American Party. De beweging had veel aanhang: binnen enkele jaren na de oprichting in 1850 had ze meer dan honderd leden in het Congres, acht gouverneurs en burgemeesters in steden als Boston, Philadelphia en Chicago.

Waarom waren de Ieren niet welkom? Dat had vooral te maken met hun geloof. De katholieke migranten werden als vreemden ervaren in het overwegend protestantse Amerika. Hun loyaliteit jegens hun nieuwe land was lang niet vanzelfsprekend en velen zagen in hun aanwezigheid de lange arm van het Vaticaan. Het waren ook de jaren dat de katholieke kerk zich fel afzette tegen de liberale democratie. Dat leidde tot een enorme mobilisatie van protestantse kiezers en ook tot enkele gewelddadige uitbarstingen.

De tweede eruptie van het streven naar beperking van immigratie bereikte zijn hoogtepunt in de jaren twintig van de 20ste eeuw. De periode die daaraan vooraf ging, rond de eeuwwisseling, laat ook de hoogste aantallen migranten zien die ooit zijn geregistreerd. Alleen al in het jaar 1907 werden bijna 1.3 miljoen migranten geteld. En de herkomst veranderde: nu waren het vooral Zuid- en Oost-Europeanen die kwamen en die als een minderwaardige groep werden aangemerkt die nooit zou kunnen integreren in Amerika.

Het was ook de enige van de drie fasen van ‘nativisme’ die in termen van wetgeving ook werkelijk diepgaande gevolgen had. Zolberg gaat zelfs een stap verder en zegt dat de wetten van 1924 een verandering inluiden die tot op de dag van vandaag doorwerkt. Eigenlijk is de bewijslast toen omgedraaid: vanaf dat moment is een beperking van de immigratie het uitgangspunt en gaat de discussie over uitzonderingen daarop en de mogelijkheid van een verruiming. Dat heeft ook te maken met de toegenomen transportmogelijkheden vanaf de tweede helft van 19de eeuw, waardoor Amerika steeds minder een eiland is.

In 1924 ging Amerika min of meer op slot en dat duurde tot 1965. Afscheid werd genomen van de gedachte dat Amerika een ‘natie van immigranten’ was en het aandeel van de migranten op het totaal van de bevolking werd marginaal. Er kwam een regeling van quota,waarbij iedere nationale groep die op dat moment in het land aanwezig was een proportioneel deel kreeg toegewezen. Zo wilde men de etnische status quo vastleggen ten gunste van de Noord- en West-Europese migranten. Volgens sommige historici en sociologen – ook van meer progressieven huize die het toenmalige denken in raciale categorieën verafschuwen – is deze adempauze begrijpelijk en zelfs essentieel geweest voor het slagen van de integratie. De prijs van deze afsluiting was hoog voor de joodse vluchtelingen in de jaren dertig; een episode die in A Nation by Design uitvoerig wordt behandeld.

Het conflict rond immigratie snijdt volgens Zolberg dwars door de traditionele scheidslijnen van de politiek heen. Zo hebben we in Amerika bijvoorbeeld de aartsconservatieve senator Orin Hatch en de klassiek-progressieve Edward Kennedy samen zien optrekken tegen wetgeving om werkgevers die illegalen in dienst nemen hard te straffen. Bij Hatch gaat het om de verdediging van de belangen van de agrarische sector in het Zuiden, terwijl Kennedy wordt gemotiveerd door humanitaire overwegingen. Er zijn dus veel vreemde bedgenoten in het vraagstuk van de immigratie. De coalitie van bedrijfsleven, etnische groeperingen, kerken en humanitaire organisaties verklaart volgens Zolberg waarom de laatste ronde van het streven naar beperking van migratie, in de jaren tachtig en negentig, uiteindelijk heeft gefaald. Daarbij ligt in het debat alle nadruk op de Mexicaanse immigranten, vooral de twaalf miljoen illegalen onder hen. Het debat over de poreuze grens met het Zuiden is al heel oud, de migratiebewegingen overigens ook. Zo wordt al gesproken over een half miljoen Mexicaanse migranten in de periode 1900-1910. Ook zij waren ‘gewild maar niet gewenst’ (‘wanted but not welcome’).

Naast de zwakke sociale positie van de betrokkenen spelen vragen over de identiteit en cultuur van Amerika een grote rol. Zolberg stelt vast dat het Spaans de facto de tweede taal van Amerika is geworden, wat ook door de huidige president wordt erkend. Zo houdt Bush sinds 2001 zijn wekelijkse radiopraatje niet alleen in het Engels, maar ook in het Spaans: ‘Mi Casa Blanca es su Casa Blanca’. Tegelijk is er sinds de jaren negentig een beweging gaande om via referenda het Engels als officiële taal van de afzonderlijke staten vast te leggen. De helft heeft dat inmiddels gedaan.

Maar de demografische ontwikkelingen gaan in één richting. Niet lang geleden lieten Mexicaanse demonstranten blijken dat ze zich dat zeer goed bewust zijn van hun toenemende getalsmatige gewicht: ‘Today we march, tomorrow we vote’. Dat is de geschiedenis van Amerika volgens Zolberg: omvangrijke immigratie roept vormen van weerstand onder de ingezetenen op, maar die lokken op hun beurt een politieke mobilisatie van migranten uit. Kortom, het conflict is niet de ontkenning van gedeeld burgerschap, maar juist een onderdeel van de geschiedenis van integratie en participatie. Zo is het aantal Mexicanen dat zich laat naturaliseren enorm toegenomen en hun deelname aan verkiezingen ook.

Amerika is een meeslepend experiment als ‘natie van immigranten’, met alle relativeringen die nodig zijn bij dat al te onproblematische zelfbeeld. Zoals Zolberg vaststelt is het land steeds meer de belichaming aan het worden van de gehele mensheid, nu naast de Europeanen, ook de andere continenten zo’n groot aandeel in de bevolking hebben gekregen. Hij is hoopvol, want hij besluit zijn geschiedenis als volgt: ‘Migranten die zich welkom voelen zijn er zelden op uit om hun nieuwe thuis te verwoesten’. Maar hij weet ook dat die omvorming van Amerika nog voor veel conflict zal zorgen, want immigratie roept niet alleen meer immigratie op, maar zorgt ook voor weerstanden onder een aanmerkelijk deel van de bevolking. In dat opzicht verschillen de ervaringen in het hedendaagse Europa en Amerika veel minder dan vaak wordt aangenomen.