Elvis is zijn profeet

‘Openbaringen’ is ....

Binnen een paar dagen hoorde ik het twee keer uit de radio komen, en beide keren stopte ik met wat ik aan het doen was – om een paar minuten te luisteren. Naar wat? Naar gitaargetokkel. Niet al te moeilijk, voorzover ik dat als tokkelleek kan beoordelen, maar wel met iets mooi weemoedigs erin. En daarbij hoorde een stem. Ook niet al te bijzonder, zou ik denken, als stemamateur, maar het klonk wel authentiek: zacht, teruggetrokken, aarzelend, aangedaan. Hier sprak iemand recht uit zijn hart. Dat zal wel de eerste reden zijn geweest dat ik bleef luisteren. Het was de stem van Daniel Lohues, de zanger van Skik, die mij in het Drents iets vertelde over zijn kerkbezoek. Dat waren nog twee redenen om de oren te spitsen: het Drents, dat goed te volgen is, maar toch iets meer aandacht dan gemiddeld vraagt, en het onderwerp, kerkgang, dat nu eenmaal niet al te vaak in radioliedjes te horen is.

Lohues vertelde al zingend dat hij de kerk alleen nog bezoekt bij een begrafenis, een doop of een huwelijk. Verder niet meer. Ook niet met Pasen of Kerstmis. Dus kan hij concluderen, in een puntig geformuleerde regel met dubbele k- en a- en ij-klanken: ‘er zit qua kerk wat dwars bij mij.’ Maar wat zit er precies dwars? Waarom kwam hij er vroeger veel, en graag, maar nu niet meer? Terwijl hij tegelijk ook wel voelt dat de plek hem nog steeds veel zegt? De twijfel zit er duidelijk in, ook al meteen in het heel breekbaar en behoedzaam en bijna hees gezongen refrein, vol wikkende en wegende bijwoorden. ‘Misschien komt het ooit wel weer’ zingt hij, tot twee keer toe, ‘maar tegenwoordig kom ik hier echt eigenlijk nooit meer.’

Hoe is dat zo gekomen? Daarover vertelt hij in het vervolg van zijn lied. Het roept het beeld op van het gevoelige en muzikale katholieke jongetje in Erica dat al heel jong van zijn vader op het kerkorgel leerde spelen en jarenlang misdienaar was, en zo nooit een mis hoefde te missen (‘heb ’k jaoren gien misse mist’). Maar toen diende zich ‘een ander licht’ aan, een licht dat hem liet zien dat hij misschien maar eens wat verder moest kijken. Zo is hij dan geleidelijk beland in zijn huidige toestand van halve twijfel en half geloof: ‘Ik ben er nou wel uut nou: / Jezus hef bestaon. / Alleen Sien Va, dat weet ’k nog nie. / En daor schient ’t um te gaon.’ Daar schijnt het inderdaad wel vaak om te gaan, ja, om de vraag of God de Vader wel of niet bestaat. En om het antwoord op die vraag worden er nog steeds mensen overhoop geschoten: ‘knapp’n ze dan overal / mekaar nog aal kapot’.

Even leek het lied een protestlied te gaan worden, op de wijze van Bob Dylan, maar al snel keerde het terug naar de persoonlijke sfeer van het begin. Dit was het lied van een troubadour, een rondtrekkende zanger die ons in zijn eigen woorden een verhaal vertelt over wat hij heeft meegemaakt, en over zijn gevoelens van verwarring en onzekerheid daarbij. Dat Lohues mij raakte, komt denk ik vooral doordat hij in de loop van dat lied tegen mij bleef praten, en vertellen, met alle wendingen van dien, en me al zijn twijfels links en rechts, in dat wonderlijke mengsel van half zang, half praat en tegelijk ook van half proza en half rijm.

Zo vertelt hij, in weer een nieuw couplet, met weer een nieuwe wending, dat hij in het buitenland, op reis, nog geregeld een oude kerk binnenloopt, of een kathedraal – en daar dan steevast toch een kaars opsteekt. Het deed me, vanwege het buitenland misschien, of vanwege de dwanghandeling, denken aan een gedicht van de Engelse dichter Philip Larkin (1922-1985), ‘Church Going’. Daarin vertelt hij over zijn gewoonte om op fietstochten altijd af te stappen bij de kerken die hij onderweg tegenkomt en dan, als hij hoort dat er binnen niets gaande is, even naar binnen te gaan. Hij heeft bij binnenkomst geen hoed om af te zetten en daarom doet hij dan maar, bij wijze van eerbied, zijn broekspijpklemmen af. En dan? Hij kijkt weer eens rond, snuift de lucht op, voelt aan de doopvont, leest wat, tekent het bezoekersboek en gooit bij vertrek een buitenlands muntje in de collectebus. En dat was het dan weer. Het bezoek is weinig eerbiedig, de toon is spottend, en eigenlijk viel het allemaal weer tegen – maar toch begint op dat moment, na 18 regels, het gedicht pas. Er zullen nog 45 regels volgen.

Het bezoek loonde weer eens niet de moeite, maar: ‘Toch deed ik het; ik doe het feitlijk vaak, / en altijd ben ik, zoals nu, ’t spoor bijster / en vraag mij af wat ’k zoek’ zegt Larkin, in de wat ouwelijke vertaling van J. Eijkelboom. Het vormt het begin van een zoektocht naar de betekenis van dit gebouw, en van dit soort gebouwen, en van het instituut kerk, en nog meer in het algemeen: naar de zin van religie. Het mooie van Larkins gedicht is dat het steeds op alledaagse toon en in alledaagse taal over al deze hogere zaken blijft spreken, maar dat de houding toch langzaam bijdraait: van spottend en vermoeid in het begin tot eerlijk en bezorgd en aandachtig aan het eind. Daar moet hij, zijns ondanks haast, toegeven dat dit oude gebouw toch heel lang de samenbindende plaats is geweest voor alle belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven: geboorte, huwelijk, dood, en voor het denken daarover. Nu is het allemaal verspreid geraakt. En hij moet bekennen dat hij hier toch wel graag is, in deze stilte, een tijd lang, in dit huis: ‘A serious house on serious earth it is.’ En hij ziet in dat er eigenlijk niets ouderwets is aan dit verlangen en dat er, ondanks alle ontkerkelijking, altijd een honger zal blijven bestaan naar dit soort plekken van samenkomst.

Larkin voltooide zijn gedicht op 28 juli 1954. Het verschilt niet eens zo heel veel van wat Daniel Lohues een halve eeuw later in de kerk van Erica zal uitspreken: halve twijfel, half geloof. Wat eruit ziet als moderne ontkerkelijking en leegloop is misschien wel van alle tijden. Waarom laat God Zich niet wat vaker zien, vraagt Lohues zich aan het eind van zijn lied af.

Het zou ook kunnen dat wij niet goed kijken. Misschien stuurt God van tijd tot tijd wel degelijk boodschappers, maar herkennen wij ze nog niet. Lohues noemt Bach, Mozart, Beethoven, Vincent van Gogh, Elvis Presley en John Lennon – een verrassend lijstje profeten. De ongelovige Philip Larkin zou er ook wel bij passen, met zijn aandachtige boodschap, broekklemmetje in de hand. En Lohues zelf misschien, met zijn gitaar, en met zijn simpele, breekbare lied. ‘Een ander licht leut zien / da’k verder kieken mus.’