Doet u ons liever magiërs

Wat is er toch met de science fiction gebeurd? Technische ontwikkelingen genoeg, maar de verbeelding van toekomstschrijvers lijken ze niet meer te prikkelen. Is het de zuigkracht van de fantasy of de bezuiniging bij NASA? Een reportage over de oorzaken van een teloorgang.

Een sciencefiction-lezer wordt geboren als hij twaalf is. Het kan een jongetje zijn, ergens op het platteland, levend in een afgebakende wereld van school, thuis en dorp. Totdat hij in de plaatselijke bieb een boek ziet met verre planeten op het omslag. Zijn uitkijk explodeert, in tijd en in ruimte. Het is net alsof hij aan een muffe kamer is ontsnapt en voor het eerst echt ademt.

Dat was in 1987 en het boek was een titel uit de toen jubilerende M-sf reeks van Meulenhoff. Sinds 1967 werd daar het beste uit de (voornamelijk) Angelsaksische speculatieve fictie gepubliceerd. Een frisse wind, mede door het hoge niveau; de uitgeverij kon bij aanvang putten uit twintig jaar Amerikaanse en Engelse sf-geschiedenis.

Anno 2007 hadden we een nieuw jubileum kunnen vieren. De M-sf reeks is echter overgedaan aan De Boekerij en er wordt nauwelijks nog ‘harde sf’ gepubliceerd. Klassieke titels van grootheden als Isaac Asimov, Robert Heinlein, Arthur C. Clarke, Philip K. Dick en Ursula Le Guin zijn uit druk, nieuwe grote namen dienen zich niet aan. Michel Houellebecq mag sciencefiction de enige filosofisch interessante literaire stroming van de 20ste eeuw noemen, in de 21ste eeuw staat het genre op uitsterven. In de boekhandel regeert de fantasy-literatuur. De gevolgen van biotechnologie? Doet u ons liever magiërs en elven.

De grote aantrekkelijkheid van sf was altijd het literaire gedachte-experiment. Door middel van de gesuikerde pil van een vlot (avonturen)verhaal liet het genre je nadenken over technologische, sociologische, politieke en antropologische mogelijkheden. Wanneer kunstmatige intelligentie zich tot een hoger bewustzijn ontwikkelt, hoe moeten we er dan mee omgaan? Ontstaat er een nieuwe vorm van slavernij, of moeten we ‘burgerschap’ en ‘mensenrechten’ oprekken? Wat betekent het bestaan van buitenaards leven voor de mensheid? Vanuit welke aannames moeten we ‘anderlingen’ tegemoet treden? Kan democratie een groeiende invloed van media en multinationals overleven? En welke levensvormen en sociale structuren kunnen ontstaan onder ‘niet-aardse’ omstandigheden? Veel klassieke sf ging uit van de vraag: ‘wat als dit zo doorgaat?’ Door ontwikkelingen te extrapoleren, werd commentaar geleverd op het heden. De resultaten waren soms dystopisch van aard, maar altijd opwindend en uitdagend.

Dat zou in 2007 net zo interessant moeten zijn als in 1987 of 1967, zou je denken. Waarom zit de lezer er dan niet meer op te wachten? Een complex vraagstuk, vindt Orson Scott Card. De Amerikaan was de eerste schrijver die, met zijn klassieke tweeluik Ender’s Game (1985) en Speaker For The Dead (1986), twee jaar op rij de Hugo én Nebula Award won, de twee belangrijkste prijzen in het genre. Sindsdien is hij actief in uiteenlopende literaire genres, als leraar, theatermaker én controversieel politiek beschouwer. In zijn essay ‘Are We at the End of Science Fiction?’ gepubliceerd in de jaarlijkse bundel Writers of the Future, inventariseert Card gangbare verklaringen voor de teloorgang. En dat zijn er nogal wat. Wetenschap heeft zich ontwikkeld tot iets submicroscopisch en ondoorgrondelijks. Alle goede ideeën zijn op; de meesters van weleer hebben ze al opgeschreven. De goede schrijvers zijn overleden, de nieuwe zijn kwalitatief minder. Geschreven sf kan niet op tegen Computer Generated Imagery. Mannen lezen weinig, en vrouwen lezen liever fantasy. Schrijvers zijn lui en fantasy is makkelijker om te schrijven. Het publiek is lui en ontbeert de algemene ontwikkeling en geestelijke flexibiliteit die sf vereist. Lezers hebben zich juist ontwikkeld; het emotioneel adolescente genre is nu beneden hun stand. Allemaal speculatieve theorieën.

De basis van sf is ‘het idee’. Zit daar ook het probleem? Alle tijdreis-paradoxen zijn inmiddels wel uitgedacht, van Fritz Leibers The Big Time, waarin strijdende partijen elkaar dwarszitten door kleine ingrepen in het verleden te plegen, tot verhalen waarin gebeurtenissen door zichzelf veroorzaakt worden. Maar het universum, een favoriete speeltuin voor sf-schrijvers, is nog steeds niet ontsloten. Techniek en maatschappij bieden blijvend ruimte voor speculatie.

Toch is die speelruimte kleiner geworden, vindt sf-deskundige en fantasy-auteur Wim Stolk, beter bekend onder het pseudoniem W.J. Maryson. „In landen waar sf nog een rol van betekenis speelt, zie je een verschuiving naar psychologische romans met fantastische elementen. Het genre is daarmee opgeschoven in de richting van de mainstream .”

Jacques Post, van 1989 tot 2001 uitgever van de M-sf reeks, meent dat het heden te weinig aanreikt dat interessant is voor speculatieve fictie. „Er zijn interessante multimediale ontwikkelingen, maar die gaan zo snel, dat een boek vrijwel direct gedateerd is. Veel wetenschappelijke disciplines zijn té abstract geworden. Ze vergen steeds meer uitleg – een blok aan het been van het verhaal.”

Card is minder somber. Het geweeklaag doet hem denken aan de patent-ambtenaar die in 1800 ontslag nam omdat ‘alles al uitgevonden is.’ Eerder moeten we het zoeken in groeiend wantrouwen tegen baanbrekende technologie – klonen, stamcelonderzoek, gentherapie – en onverschilligheid tegen technologie die we vanzelfsprekend achten. Card: „De 20ste eeuw was van technofielen. Elke rivaliteit, zoals het Westen tegen de Roden, kreeg een element van technologische competitie. De teruglopende interesse, en het gebrek aan vertrouwen in technologie, zijn niet terug te voeren op het beslechten van de Koude Oorlog. Noch op de aard van het conflict tussen het Westen en de Islam. Ze zijn het gevolg van diepere sociale veranderingen.”

Post wijst op het teruglopende ontwikkelingsniveau van de lezer, zeker in sf-bakermat Amerika. „Schrijvers als Asimov, Clarke en Heinlein waren erudiete mannen: professoren en ingenieurs, maar ook generalisten die overal wel een beetje verstand van hadden. Dat moeten je lezers dan tot op zekere hoogte ook zijn, of willen zijn. Maar het is op meer terreinen mis gegaan. Platformen voor korte verhalen, geboden door bevlogen tijdschriftenmakers als Christopher Priest of Michael Moorcock, zijn verdwenen, waardoor nieuwelingen minder makkelijk het vak kunnen leren. Of, van een heel andere orde: het inkrimpen van NASA-budgetten. We zijn het zicht op de ruimte kwijt geraakt. En als het uitzicht ontbreekt, is de behoefte aan inzicht minder.”

Waar iedereen het over eens is: dit is een conservatievere tijd. Een tijd van angst en introspectie, van terugvallen op oude normen en waarden, het verlangen naar de helderheid van een religieus kader. ‘The Golden Age of Science Fiction’ begon in de jaren vijftig. Een naoorlogse periode; optimistisch van aard, met geloof in vooruitgang. Dat geloof, zegt Post, is een stuk minder geworden. Fantasy-romans, met hun morele sjablonen, passen beter bij de Zeitgeist dan sf. Ze gaan niet over ontwikkelingen en mogelijkheden, maar over Goed tegen Kwaad, morele dilemma’s en het kiezen van een levenspad. In een onoverzichtelijke wereld biedt het (de schijn van) houvast. Post: „Fantasy beantwoordt aan een behoefte aan duidelijkheid. Sf appelleerde aan de opwinding over een verscheidenheid aan mogelijkheden.”

Overlevingsgezinde sf-schrijvers, denk aan George R.R. Martin en Lois McMaster Bujold, zijn de laatste tien jaar overgestapt op fantasy. Het sf-genre heeft zo te kampen gekregen met een brain drain. Het brood moet tenslotte gesmeerd.

„Sciencefiction,” zegt Card, „was de enige belangrijke nieuwe literaire stroming tussen 1940 en 1990. Een literaire revolutie na het modernisme. Omdat de kinderen van het modernisme de dienst uitmaakten op de universiteiten, heeft het genre nooit het aanzien gehad dat het verdiende. Maar waar de hoogleraren sneerden, lazen de studenten. De rol van people’s literature is nu overgenomen door fantasy. Omdat dat de plek is waar de beste schrijvers heen gaan. Maar ook omdat het grootste literaire werk van de 20ste eeuw, Tolkiens Lord of the Rings, fantasy is.”

Hoe meer sf commercieel onder druk komt te staan, hoe moeilijker het is dat tij de keren. De aandacht van de media blijft uit. Mede, zegt Stolk, door het ontbreken van ‘goede, consistente promotie.’ Die ook niet meer haalbaar is, door het ‘simpele tekort aan pecunia.’

De markt vraagt en de uitgevers draaien; zo simpel is het. De samenstelling van het boekkopend publiek bepaalt wat levensvatbaar is. Literaire sciencefiction is altijd primair een genre geweest voor jongens. Dat vrouwen de kassarijen in de boekhandels zijn gaan domineren, vergroot de markt voor het ‘zachtere’ fantasy-genre. De ontlezing van jonge mannen nekt de sciencefiction. De cliché sf-lezer – een puisterige puber die beste maatjes is met zijn chemiedoos – heeft andere bezigheden gekregen. Internet. Games. Thuiscinema. Een overdonderende beeldcultuur, waar het woord niet tegenop kan.

Die beeldcultuur zit literaire sciencefiction bovendien op een andere manier dwars. Het imago van het genre wordt nu bepaald door films en tv-series. Daar gaat het met de sciencefiction juist uitstekend, mede door teruggelopende kosten van special effects. Maar waar literaire sf vooral literatuur van het idee was, is visuele sciencefiction gericht op actie. Het is slechts de aankleding die overeenstemt: ruimteschepen, laserwapens en aliens.

Schrijnende voorbeelden daarvan zijn de verfilmingen van Philip K. Dick-verhalen. De ‘mad genius’ van de sf was gefascineerd door werkelijkheid en perceptie. In films als Total Recall, Minority Report of Paycheck wordt dat uitgekleed tot explosies en achtervolgingen. Daarom houden de erven Isaac Asimov ook al jaren hun poot stijf, wanneer Hollywood op de deur klopt voor de rechten van de Foundation-serie. Post: „Hollywood wil de filosofische laag schrappen, die de essentie van de reeks vormt. De erven voelen aan hoe gruwelijk het resultaat dan wordt. Inhoudelijk brengen sf-films en -series niet meer dan de pulp-sf van de jaren ’30: plat avontuur. Onderliggende gedachten ontbreken.”

Misschien dat het literaire genre verdwijnen zal. Maar dat wil niet zeggen dat het instrumentarium van de sf verloren gaat. In ‘realistische’ literatuur kan de sf-lezer steeds vaker aan zijn trekken komen. Schrijvers die zijn opgegroeid met de groten van de Golden Age, hebben het genre omarmd en de mainstream binnengeloodst. Houellebecqs kloonroman Mogelijkheid van een eiland is pure sf, datzelfde geldt voor Wolkenatlas van David Mitchell. Haruki Murakami heeft zich in het uitdiepen van een rekkelijke werkelijkheid laten beïnvloeden door Philip K. Dick. Diezelfde Dick schreef met The Man in the High Castle (zie kader) een boek dat een blauwdruk lijkt voor Philip Roths parallelle universum-roman Het complot tegen Amerika. Deze romanschrijvers zijn sf-lezers die de karakterologische en stilistische diepgang van literaire romans misten, maar de ideeënrijkdom van de mainstream te pover vonden. Door de twee te combineren voltooien ze de volwassenwording van het genre, dat niet langer een eigen getto nodig heeft om te bestaan. Card: „Literaire schrijvers hebben onze methodologie aangeleerd – denk aan Heinleins geleidelijke expositie van een nieuwe wereld, zó onnadrukkelijk dat de lezer nauwelijks doorheeft hoeveel nieuwe informatie een verhaal bevat. Sciencefiction is als commercieel label passé, maar heeft in zekere zin gewonnen. Elke schrijver kan tegenwoordig sf-elementen gebruiken.”

Algis Budrys (ed.): L. Ron Hubbard Presents Writers of the Future, Vol. 22. Galaxy Press, 500 blz. € 8,99