De waarheid is een leugen

Günther Anders Foto uitgever

Günther Anders: De catacombe van Molussië. Vertaald en van een nawoord voorzien door Piet Meeuse. Lemniscaat, 313 blz. €19,95.

De fabel, evenals de parabel, is een lastig literair genre. Met wat we tegenwoordig van literatuur verwachten lijkt het niet zo goed te verenigen. Literatuur moet een persoonlijke toon hebben, meer suggereren dan benoemen, vol intrigerende karakters zitten en veel te denken geven zonder uitgesproken moralistisch te zijn. Fabels en parabels daarentegen hebben altijd een duidelijke moraal, doen niet aan psychologie en hebben vaak iets onpersoonlijks, terwijl de suggestiviteit zich beperkt tot hun veelal doorzichtige symboliek. Fabels zijn ‘apparaten’, lezen we in Die molussische Katakombe, een roman van Günther Anders, die vol staat met fabels en parabels – en met dialogen en gedichten. Apparaten waarmee de lezer iets duidelijk moet worden gemaakt.

Dat wijst op engagement. Als er één roman geëngageerd wil zijn, dan wel De catacombe van Molussië, zoals de titel luidt van de Nederlandse vertaling die dezer dagen is verschenen. Het gaat om een engagement voor rede en verlichting en tegen het nationaal-socialisme. Ook dat klinkt niet erg actueel. Anders schreef zijn roman dan ook al in de vroege jaren dertig, al werd hij pas in 1992 voor het eerst gepubliceerd, vlak vóór de dood van de auteur.

Günther Anders? Was dat niet de eerste echtgenoot van Hannah Arendt, met wie zij trouwde na haar geheime affaire met Heidegger? Inderdaad, maar Günther Anders (pseudoniem van Günther Stern) is ook de schrijver van een omvangrijk politiek-filosofisch oeuvre, waarin de gevaren van de moderne technologie in kaart worden gebracht. Tegenover een technologie die ons voorstellingsvermogen steeds meer te bovengaat (denk aan de gevolgen van een atoomoorlog), pleitte Anders voor de ontwikkeling van ‘morele fantasie’ ten einde onze ‘menselijkheid’ ook in een technische wereld te kunnen bewaren.

In De catacombe van Molussië is van technologie nog nauwelijks sprake. De roman zou zijn ontstaan nadat Anders Mein Kampf had gelezen, schrijft vertaler Piet Meeuse in zijn instructieve nawoord. En het thema is eerder de complexe relatie tussen waarheid en leugen, die wordt uitgediept in de vele verhalen (waaronder tal van fabels en parabels) waarmee twee gevangenen in het duister van hun onderaardse cel de tijd doden. Dat doen de gevangenen in deze Molussische gevangenis al generaties lang. Steeds worden de verhalen doorgegeven – zo blijft de geest van verzet levend, tegen de totalitaire dictatuur die bovengronds regeert.

Uit het voorwoord blijkt dat het verzet uiteindelijk heeft gewonnen. Na de bevrijding kunnen de verhalen worden uitgegeven, met dank aan de geheime politie die de gevangenen al die tijd had afgeluisterd en hun gesprekken had ‘genotuleerd’. Het principe van de roman lijkt op dat van Duizend-en-één- nacht: de twee gevangenen vertellen om te overleven. Niet zozeer als individuen, maar als vertegenwoordigers van de waarheid. Daarom hebben ze ook steeds dezelfde namen: de oudste heet Olo, de jongste Yegussa. De roman begint met de introductie van een nieuwe gevangene, een zekere Kuru, die meteen van zijn identiteit wordt beroofd, door het duister van zijn cel én door het vertelritueel waarin hij als de nieuwe ‘Yegussa’ wordt opgenomen. Het verzet is in feite even anoniem als de repressie.

Dat geeft onbedoeld aan waar we Anders en zijn roman ideologisch moeten plaatsen: bij het communistische verzet tegen Hitler. In de verhalen zijn niet toevallig allerlei marxistische denkbeelden te herkennen, van de kritiek op de religie tot de theorie dat het fascisme de laatste verdedigingslinie van het kapitalisme zou zijn. Maar ook Heidegger (bij wie Anders nog college had gelopen, daar kende hij Hannah Arendt van) krijgt er in de gedaante van de denker ‘Regedie’ van langs.

Een orthodox marxist blijkt Anders overigens niet te zijn. Zo betoogt hij dat onder het fascisme het kapitalisme zelf allerminst onveranderd blijft en de rode draad van de roman is de voor gelovige communisten pijnlijke gedachte dat je om het fascisme effectief te kunnen bestrijden eerst zou moeten leren van het succes ervan, iets wat nadien ook zou worden betoogd door andere linkse denkers als Georges Bataille en Jacques de Kadt. De waarheid moet zich misschien vermommen als leugen, heet het in de gesprekken van Olo en Yegussa. En zie, de leugen dat Yegussa, als laatste gevangene, de staking zou hebben uitgeroepen die een eind maakt aan de dictatuur in Molussië leidt daadwerkelijk tot de triomf van de waarheid.

Het lezen van dit boek vergt enige vertaalarbeid, ook al beweert Olo ergens dat zoiets bij fabels hun ‘slechte kwaliteit’ bewijst. Maar wie niets van het marxisme weet of van de Duitse geschiedenis zal al die verhalen over Prem, Bamba, Gaga, Burru of Suki toch niet zo snel kunnen doorgronden. Met minimale kennis is er echter geen probleem, want bijna altijd staat ook een meer algemene – morele, politieke – duiding open. Soms wordt het zelf iets te simpel en dan kan er licht enige ‘irritatie’ ontstaan, waarschuwt Meeuse. Hetzelfde geldt voor Bertolt Brecht, een goede vriend van Anders en naar deze roman te oordelen voor hem een niet onbelangrijke literaire inspiratiebron.

De catacombe van Molussië is al met al geen boek dat je ademloos uitleest. Wel is het een interessante en fantasievolle poging om voor politiek-geëngageerde literatuur een nieuwe, speelse vorm uit te vinden. In die vorm ziet Meeuse de voornaamste attractie. Akkoord, maar om het bijzondere daarvan ten volle te beseffen moet je deze roman eigenlijk afzetten tegen de socialistisch-realistische kitsch die destijds in communistische kring voor geëngageerde literatuur doorging. Het merendeel daarvan is nu terecht vergeten. Even terecht is het dat Anders’ roman, mede dankzij deze soepel leesbare vertaling, vooralsnog van de vergetelheid wordt gered.