De merel in het satansrijk

Trefzeker beschrijft P.C. Hooftprijswinnares Eva Gerlach de daad van het dichten. En dat gaat ook nog onbegrijpelijk vanzelf, alsof ze quasi terloops door haar fantasie dwaalt

Eva Gerlach: Situaties. De Arbeiderspers, 103 blz. € 17,95

Een paar jaar geleden brachten Nederlandse kranten een luguber bericht. In een bushokje was een boodschappentas gevonden, en in die tas zat het hoofd van een vrouw. Een verloren hoofd, waar na dagen lang zoeken een passend lichaam bij werd gevonden – maar dat is het rechercheverhaal. Voor de titelreeks van haar nieuwe dichtbundel, Situaties, koos Eva Gerlach een ander perspectief. Dader en hoofd zijn daarin nog een paar, of in ieder geval samen.

l. loopt over de markt met het afgesneden

hoofd van zijn vrouw in zijn hand. Weet hij veel. Bij de haren

heeft hij het vast, een tas. Winter,

kool en bieten voordelig, hij monstert de kramen

met zijn hand in het haar van zijn vrouw. Niet vaak was het zo

stil in zijn leven, midden in alles is hij,

straks legt hij haar hoofd ergens neer en loopt kalmpjes de stad uit.

Het is het openingsvers van een vijftiendelige reeks. Nieuw voor het werk van Gerlach is dat die reeks een plot heeft. Geen heldere plot uiteraard, want in Gerlachs gedichten is geen ding, geen voorval wat het aanvankelijk lijkt. Maar zoveel is zeker: aan het eind valt een tweede slachtoffer.

Naast ‘Situaties’ zijn er nog zeven andere reeksen in de bundel. Sommige daarvan hebben een sterk cyclisch karakter. Vijf snijdende verzen beschrijven bij voorbeeld het levenseinde van een pad, acht verzen suggereren de dreigende ruigte van Hellebosch, en een dertien pagina’s lange fuga pre- en alludeert op de grenswereld tussen vader en dochter. Maar alle voorgenomen thematiek ten spijt is in elk van de gedichten in deze cycli geen regel, geen woord te voorspellen. Elk gedicht schrijft zichzelf als het ware. Dat de dichter zich daarvan ook zelf bewust is, toont het laatste gedicht in de bundel. ‘Nu’ heet het, en trefzeker beschrijft het de daad van het dichten:

het gedicht gebeurt nu

in het lichaam ervan gebeurt

dit, het ademt en het

loopt en als je

ertegen praat praat het. er is

alles zegt de stem (in het open raam

zit de zachte en gladde naakt en leest proust in de verte

kantelt een auto snijdt het gedicht een keel door) en

alles is bij zichzelf hier in het glas water

rolt de vloedgolf er is tocht uit een kier en er is

de draaiwind er is zand waarop je goed loopt

zand dat op je valt. er is altijd de oven

waarin het hout schoon opbrandt en er is deeg

omhooggegaan dat in de lege oven

brood wordt met een geur van

kinderhals. er is het brood en ik snij het

in het gedicht dat het eet.

De elf daarop volgende regels voltooien het visioen,

en het gedicht legt zijn bodem

op die van de werkelijkheid en begint. het is alles

wat er is. en zijn vorm gaat open

en het laat los en gebeurt.

Ja, knik je dan instemmend als lezer, maar intussen ben je niets wijzer geworden. Alles gaat zo onbegrijpelijk vanzelf in Situaties. ‘Vergeten, geen kunst, zo gebeurd.’ En even makkelijk worden gruwelijke omstandigheden op papier gezet en onmiddellijk gerelativeerd: ‘Vannacht sneden ze mijn benen / juist op het kniegewricht af, het deed niet veel pijn. / Wegens ruimtegebrek werd ik overdag buiten gezet. / Het is prettig om buiten te zitten / in de eerste sneeuw als de grote lichte kristallen / neerkomen op je mouw…’

Eva Gerlach is een dichter van het ongerijmde. Daarvan zijn er meer, maar weinig van haar collega’s dwalen zo quasi terloops door de coulissen van fantasie en zinsbegoocheling. Niets is daarin zeker of bestendig, maar voor de duur van een knipoog zijn er soms heldere momenten. Ogenblikken waarop duidelijk wordt dat de werkelijkheid zich niet vangen laat. En steeds is er het speelse element, zoals in ‘Kst’:

Het kan geen vorm hebben en het

heeft er geen. Het

neemt zich voor altijd

zo te zijn maar het weet niet

hoe. Er is niemand

die het ziet zoals het is. Maar

soms in volle kamers lijkt het stil

te staan en je te kennen, op je

toe te komen. Geef. Zeg niks,

maak een beweging in tegengestelde richting

(zoals je een vreemde kat wegjaagt)

en het verdwijnt.

Hier wordt de zinsbegoocheling bezworen met het luchtig ritueel van een handgebaar. Maar niet altijd wordt de dreiging zo losjes de deur gewezen. In de herfst van 2005 verbleef Eva Gerlach twee maanden in de Villa Hellebosch in het Belgische Vollezele. ‘Alles bijt hier. Tijd en zo. Hard van tand,’ luidt de openingsregel van de cyclus die ze daar schreef. Het is de aanzet tot wat acht verzen verder eindigen zal als een nachtmerrie: ‘Naald in je oogbol. Zit rechtop, vertel / van roepen onder haren uitspansel.’

Meer nog dan in haar vorige bundel, Een bed van mensenvlees (2003), leidt Gerlach haar lezers in Situaties door een pandemonium. In dit satansrijk zingt zelfs de merel op de lichtmast valse, troosteloze teksten. Er is dus verheviging, maar niet in de zin van ‘meer van hetzelfde’. De poëzie in Situaties staat niet los van het vroegere werk, maar in de taal toont zich een doorgaande ontwikkeling. Die taal is nog altijd elliptisch – zinnen worden vaak niet afgemaakt –, maar verschoof de betekenis vroeger per regel, nu gebeurt dat dikwijls per woord. Dat leidt tot tastende woordreeksen, zoals in het tweede couplet van het openingsvers van ‘Hellebosch’: ‘zoveel, grond houdt het niet; fruiteniers buiten / zichzelf wegens uitverkoop, thuis- en / laveloos canaille, suf van uittredend wit - / schud nu de vleesboom: aambei, granulomen.’ Zo’n tekst laat zich moeilijk openbreken, maar het loont, want bij Gerlach staat er (met excuses voor het cliché) altijd meer dan er staat.

Hiertegenover staan open verzen, zoals ‘Kst’ en de titelcyclus. Maar ook daarin rammelt soms het verband tussen woord en betekenis. ‘Ik kan zien dat u geen ziel hebt, / zegt de kelner,’ in het dertiende gedicht van ‘Situaties’. ‘Ik kan aan u ruiken / dat u al dagen niets hebt gegeten. Ik kan / horen dat u nooit meer iemand spreekt, / een ober is getraind in dat soort zaken.’ Zo zingt de taal zich los van de logica van het woordenboek. Dat is humorvol, maar bij Gerlach schuilt de humor steevast achter een mombakkes, en in dat masker is ruimte voor de glim- én de grimlach.

Gerlach blijft verbazen. Honderd pagina’s, en geen moment waarop de kwaliteit vermindert. Dit is grootse poëzie.