Berichten uit het nieuwe jaar nul

‘In deze tijd van dynamische ontwikkeling groeit het bewustzijn van onderlinge afhankelijkheid en neemt ook het verlangen naar samenwerking toe.”

Zo lazen we in de troonrede van 17 september 1963, toen het kort tevoren aangetreden kabinet-Marijnen zijn regeerakkoord (christenen en liberalen) nog eens dunnetjes door koningin Juliana liet voorlezen.

„We leven in een dynamische tijd”, las ik gisteren namens het binnenkort aantredende kabinet-Balkenende IV (christenen en sociaal-democraten) dat ook door koningin Beatrix is gelezen. En: „De kracht en de kwaliteit van de samenleving wordt bepaald door onderlinge afhankelijkheid.”

In de literatuur spreek je dan gauw van plagiaat. Moet dat hier ook?

Nee natuurlijk. Het malle idee dat je troonredes en regeerakkoorden zou kunnen vergelijken met de letterkunde!

Niet dat ze in de politiek niet van elkaar stelen.

„We leven in een dynamische tijd”, postuleerden Balkenende, Bos en Rouvoet na weken van eenzame opsluiting, zoals Wittgenstein na lang nadenken tot de conclusie kwam dat je moet zwijgen over datgene waarover je niet kunt spreken.

Maar de vaststelling van Wittgenstein was volgens mij nieuw. Daar was niet eerder iemand op gekomen. Terwijl je die dynamische tijd al duizend jaar voor Christus in Egypte tegenkomt, als de ene farao dood was, en de volgende een geheel nieuwe jaartelling begon: „De Nederlandse samenleving staat aan grote veranderingen bloot.”

Waarschijnlijk al in Beetsterzwaag moet Rouvoet bij het ontbijt een keer hebben gezegd: ‘Groot is de behoefte aan houvast, geborgenheid en een herkenbare eigen identiteit’, waarna hij de hagelslag over zijn gesmeerde boterham strooide.

Bos, die z’n ei net voor de helft had gepeld, keek verrast op, dacht even na, en zei: ‘Dat moet je opschrijven, André. Vind je ook niet, Jan Peter?’

Zo gezegd, zo gedaan.

Schrijvers en dichters zijn dikwijls op zoek naar iets nieuws. De kracht van politici ligt daarentegen in hun gewoonte om zichzelf keer op keer op keer te herhalen, zodat altijd alles wat ze ooit zeiden vanzelf veranderde in gemeenplaatsen, in platitudes, in clichés. Het cliché is in de druktechniek het middel waarmee tot in het oneindige afgietsels gemaakt kunnen worden van iets wat in het begin eenmalig was. Zo moet de gedachte dat de mensheid in een dynamische tijd leefde eens opzienbarend zijn geweest. Daarna nooit meer.

De wetenschap die de platitude tot onderwerp heeft is zoals bekend de sociologie. In die discipline komen de beoefenaars (‘sociologen’) met grote regelmaat tot het soort observaties als waarvan Rouvoet indertijd bij het Beetsterzwaagse ontbijt er ook eentje lanceerde. ‘Veel mensen voelen zich onzeker over de toekomst’, bijvoorbeeld. Die vinden we dus inderdaad in het regeerakkoord terug.

Hoe kómen ze achter die dingen? Hoe weten sociologen, maar dus ook onze onderhandelaars, dat in een gezin kinderen worden opgevoed, dat daar ‘essentiële waarden en normen worden voorgeleefd en overgedragen’, en dat ‘samen leven begint met samen spelen’?

Hebben ze dat van Maurice de Hond? Van een geheim gehouden volksraadpleging? Of ook weer van een afgietsel van een afgietsel van wat honderden jaren ook al telkens is verondersteld? Hoe weten ze anders dat kunst en cultuur ‘het internationale vestigingsklimaat’ versterken, en dat een rijk cultuurleven essentieel is ‘voor het creëren van trots en gemeenschapsgevoel in onze samenleving’?

Wat ik overigens al zei: de farao’s riepen bij hun aantreden een nieuwe jaartelling uit, Robespierre voerde een republikeinse kalender in, de Duitsers besloten in 1945 bij Stunde Null te beginnen, dus alles wat Balkenende zegt moet klinken als van een schone lei.

‘Het is onze ambitie dat het KNMI bij het minste beetje sneeuw een weeralarm afkondigt, en dat het NOS Journaal dan de staat van paraatheid uitroept.’

We leven weer in een dynamische tijd.