Zuid-Libanon ziet vooral geld van Hezbollah

Na de Israëlische bombardementen in de zomeroorlog beloofden de Libanese regering en Hezbollah de gedupeerden hulp. ‘Maar van de overheid hebben we niets gehoord.’

Met een plof en een rookwolk vat het geperste-olijvenresidu in het kacheltje van Hasan Balhas (67) vlam. Buiten slaat de winterregen hard tegen zijn kleine huisje in de heuvels van Zuid-Libanon. Binnen mijmert Balhas over zijn verloren bezittingen in de 33 dagen durende zomeroorlog tussen Israël en het Libanese Hezbollah. „Van Hezbollah heb ik compensatiegeld gekregen. Maar van de Libanese regering helemaal niets”, zegt hij vanonder een dekentje tegen de kou.

Alle oorlogsschade voor iedere Libanees zou worden vergoed, beloofden zowel de Libanese regering als de shi’itische verzetsbeweging Hezbollah afgelopen zomer. Uiteindelijk is alleen die laatste organisatie over de brug gekomen. Veel Libanezen hebben nog niets gezien van de honderden miljoenen dollars aan internationaal donorgeld dat naar hun overheid is overgemaakt, zo leert een tochtje door het zwaar getroffen shi’itische zuiden van Libanon. En dat heeft invloed op de machtsverhoudingen in de regio.

De buren van Bahlas zijn allemaal verdwenen, hun woningen zijn platgebombardeerd tijdens de oorlog. Zijn huisje staat als een rotte tand overeind in de naoorlogse leegte van dit gedeelte van Siddiqih. Alleen alle straatlampen langs de doorgaande weg zijn gerepareerd, een gift van de Europese Unie. Er staan in het dorp wel wat woningen in de steigers, maar de regen heeft het handjevol bouwvakkers onder plastic zeilen gedwongen. Met hun ruggen naar de weg zitten ze rond een vuurtje.

Vlak na de oorlog, ruwweg zes maanden geleden, werd er nog gevochten om de wederopbouw van dorpen als Siddiqih. Het was een strijd om het hart van de Hezbollahaanhangers. Als de pro-westerse Libanese regering nu liet zien er voor hen te zijn, dan zou dat het door Iran en Syrië gesteunde Hezbollah kunnen verzwakken, zo was de filosofie.

Buitenlandse donoren, waaronder Saoedi-Arabië, struikelden over elkaar om de regering van premier Fouad Siniora van geld te voorzien. De Libanese overheid verklaarde zichzelf tot het enige kanaal voor internationaal hulpgeld. Tegelijkertijd deelden Hezbollahvertegenwoordigers – uit Iran ontvangen – geld uit aan gedupeerden. „Maar van de overheid hebben we nooit meer iets gehoord”, zegt Balhas. Hij ontving in de weken na de oorlog 8.000 dollar van Hezbollah voor een gat in zijn muur, maar niemand heeft hem geld gegeven voor zijn mislukte olijvenoogst. „Op de televisie zien we de premier in gesprek met allerlei ambassadeurs, die geld beloven, maar niemand betaalt ons.”

Wat niet wil zeggen dat het geld niet is binnengekomen. „Ik schat dat er in de eerste weken ongeveer 1,1 miljard dollar op de rekening van de overheid is gestort. Alleen al Saoedi-Arabië schonk direct 500 miljoen dollar”, zegt Kabalan Kabalan, hoofd van ‘Herstel voor het Zuiden’, een overheidsorganisatie die al 34 jaar herstelwerkzaamheden in het shi’itische zuiden uitvoert. „Maar wij hebben slechts 10 procent ontvangen. De overheid wil niet met ons werken.”

Terwijl in Libanon alle partijen dezer dagen om het hardst roepen er voor „alle Libanezen te zijn”, heeft de regering besloten niet in zee te gaan met gebruikelijke wederopbouworganisaties in Libanon. ‘Herstel voor het Zuiden’, een overheidsorganisatie die wordt geleid door leden van het shi’itische Amal, is buiten de boot gevallen. Er zijn grote politieke spanningen in Libanon, waarbij Amal de zijde van de oppositie tegen de regering heeft gekozen.

„Maar het gaat om de mensen. En wij hebben als enige een permanente infrastructuur voor hulp en herstel in het zuiden”, zegt Kabalan. In 1996, na de Israëlische legeroperatie ‘Druiven der gramschap’, had zijn organisatie de meeste herstelwerkzaamheden binnen vier maanden uitgevoerd. Volgens Kabalan kon ‘Herstel voor het Zuiden’ daarom na de zomeroorlog van 2006 vrij snel 95.000 schadegevallen aan woningen, bruggen en scholen in kaart brengen. „De ministeries kwamen slechts met 400 gevallen.”

Over het door de regering gevormde ‘Hogere Hulpcomité’ is hij dan ook niet te spreken. „Er zijn geen hulpteams, geen hulpverleners en geen kantoren in het zuiden”, zegt Kabalan.

Maar de secretaris-generaal van het ‘Hogere Hulpcomité’, Yahya Ra’ed, heeft wel een kantoor in Beiroet. Daar rinkelen zijn twee mobiele telefoons aan een stuk door. Temidden van moderne glazen kantoorkolossen en met uitzicht op de blinkende jachthaven van Beiroet lijkt het verwoeste zuiden ver weg. „Maar we hebben al heel veel geld uitgekeerd”, zegt Ra’ed nadat hij een hele serie statistieken heeft opgesomd. Hij pakt een map erbij om te laten zien dat Siddiqih wordt herbouwd. „Oh wacht, het staat niet op de lijst”, zegt hij dan. „We moeten daar nog komen.”

De Libanese regering heeft één bouwbedrijf opdracht gegeven om alle aanvragen voor compensatie in het hele land te onderzoeken. „Dat kost tijd. En er zijn ook veel fraudeurs.” Volgens Ra’ed moeten binnenkort honderden mensen zich bij de rechter melden omdat ze te veel schade hadden opgegeven. „Die mensen hebben we al betaald. Die moeten terugbetalen.” Volgens Ra’ed wordt er heel veel geklaagd in het zuiden. „Maar iedereen komt aan de beurt.”

In het zuiden is dat voor velen een wrange boodschap. „Mijn vrouw is gehandicapt door een Israëlische bom”, zegt de shi’iet Mohsen Jassin. Van Hezbollah kreeg hij geld, maar van de overheid niets. Drijfnat stapt hij in het dorpje Hanawai in de auto, op weg naar de kustplaats Tyrus. „De sunnieten zijn als eersten betaald, omdat de regering sunnitisch is”, vertelt hij. Die informatie heeft Jassin „gehoord”. Voor hem is wel duidelijk op wie hij kan vertrouwen. „Op Hezbollah natuurlijk, zij zorgen altijd voor ons.”