Volleybalsters tonen onmiskenbaar progressie

Het vrouwenvolleybalteam van Martinus won gisteren met 3-0 van Eczacibasi en maakt kans op de kwartfinale van de Champions League. „Ik word steeds positiever.”

Steeds frequenter krijgen de speelsters van het Nederlands volleybalteam de bevestiging dat ze beter worden. Ze kruipen naar het internationale niveau dat vereist is om op de Olympische Spelen in Peking, die over exact anderhalf jaar beginnen, te kunnen strijden om de medailles. Gisteravond gaven de internationals bij hun club Martinus opnieuw blijk van vooruitgang door in een Champions-Leaguewedstrijd het sterke Eczacibasi uit Turkije met 3-0 (28-26, 25-13 en 27-25) opzij te zetten.

Niet zozeer de droge cijfers als wel de manier waarop de overwinning in de Amstelveense Emergohal tot stand kwam, illustreerde de vorderingen van het olympische project waaraan bonds- en clubcoach Avital Selinger sturing geeft. De op twee na bij Martinus verzamelde speelsters van het nationale team kwamen tegen Eczacibasi in de eerste en derde set terug uit geslagen positie en leverden in de tweede set een vrijwel vlekkeloze partij volleybal af. De internationals toonden gisteravond zowel hun klasse als mentale weerbaarheid.

Maar de volleybalsters die zich bij Martinus hebben verenigd om hun olympische ambitie te verwezenlijken, merkten tegen Eczacibasi dat ze ook nog kwetsbaar zijn. Ze presteren nog te wisselvallig om aanspraak op grote prijzen te kunnen maken. Dat bleek een half jaar geleden al op het wereldkampioenschap in Japan, waar Nederland net zo gemakkelijk won van olympisch kampioen China als verloor van het zwakker geachte Japan. „Elke keer als we aan niveau winnen, hebben we moeite dat vast te houden”, zegt coach Selinger.

Hij is daarom benieuwd hoe de speelsters zich volgende week in de return in Istanbul zullen verweren. Dan zal blijken of het team zich staande weet te houden in een omgeving die naar verwachting hectisch en vijandig zal zijn. „Hoewel we aan één set genoeg hebben om de kwartfinale van de Champions League te halen, neem ik dat gegeven niet als uitgangspunt”, zegt Selinger. „Dan zijn we kwetsbaar, heeft de ervaring geleerd. Ik wil vooral weten of de speelsters in staat zijn een wedstrijd onder moeilijke omstandigheden te winnen.”

Selinger weet dat het moment van overheersing een keer moet komen. Hij heeft dat als speler meegemaakt met het Nederlands team, dat een soortgelijk proces als het huidige vrouwenteam heeft doorlopen en uiteindelijk olympisch kampioen is geworden. En dat moment kan niet ver meer zijn, vermoedt de coach. „Hoe wisselvallig het team ook nog is, de progressie is onmiskenbaar. En dan vergelijk ik de prestaties van nu niet met die van november vorig jaar, maar met die van februari 2006 en februari 2005. En dan kan ik alleen maar vaststellen dat de voortgang enorm is. Kijk alleen al naar de nationale competitie, waarin we vorig seizoen nog van Longa ’59 verloren en dit seizoen ver boven alle ploegen uitstijgen.”

De tevredenheid van Selinger wordt gedeeld door de speelsters. Diagonaalspeelster Manon Flier is zeer te spreken over zowel haar eigen vorderingen als die van haar teamgenoten. De diagonaalspeelster, die vandaag 23 jaar is geworden, vindt eigenlijk dat het Nederlands team al bij de internationale top is aangehaakt, maar nog de ervaring en het gogme mist om op hoog niveau constant te presteren. „Dat is een kwestie van veel spelen en vooral slimmer worden. Ik moet geen bal hard willen slaan die slecht aangespeeld wordt. Dan moet ik me ook kunnen inhouden om met een tactische bal te scoren.”

Buiten haar toegenomen inzichten heeft Flier vooral als persoonlijkheid vorderingen gemaakt. Zij is niet langer het bedeesde plattelandsmeisje, maar een speelster die beseft dat haar kwaliteiten vaak doorslaggevend kunnen zijn. „En daar handel ik tegenwoordig ook naar”, zegt ze zelfbewust. „Ik trek in de ploeg steeds meer een leidersrol naar me toe. Nee, dat heeft Selinger me niet opgedragen, dat doe ik zelf. Na het WK in Japan realiseerde ik me dat ik een belangrijke speelster ben. En dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee. Ik eis ballen op en zet medespeelsters op hun plaats.”

Ook Chaïne Staelens, naast Flier de andere hardhitter die voor de punten moet zorgen, meent dat het Nederlands team op koers voor de Olympische Spelen ligt. „Ik vind dat we heel goed bezig zijn. We zitten dicht tegen de top aan en daar was een jaar geleden nog geen sprake van. Zie hoe wij de laatste set van Eczacibasi wonnen. Terugkomen van een 24-19 achterstand zou ons vorig seizoen niet gelukt zijn. Nu zijn we in staat ons te herpakken en weten we een zware wedstrijd uit het vuur te slepen. Ik word steeds positiever.”