Schadeherstel – en de prijs ervan

Soms kan een blik van buiten op eigen land verhelderend zijn. Zo noemt Herman De Croo, voorzitter van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, in een interview met Hugo Camps in Elsevier van 3 februari het „ongelofelijk” dat de Nederlandse Tweede Kamer „zich volledig heeft vergist in de politieke gesteldheid van de eigen kiezers”.

Hij doelt daarmee op het feit dat, terwijl driekwart van de Kamer voor het Europese grondwettelijke verdrag was, op 1 juni 2005 een grote meerderheid van de kiezers bij referendum tegenstemde. Het is inderdaad ongelofelijk dat de volksvertegenwoordigers er geen notie van hadden wat er in de kiezers omging – en dat terwijl de tsunami van Pim Fortuyn, die hen in 2002 bijna weggevaagd had, toch een les voor hen had moeten zijn.

Nu hebben ze spijt dat ze dat verdrag aan een referendum onderworpen hebben. Daarom zijn de bekokstovers van Balkenende IV overeengekomen dat er over een nieuwe verdragstekst geen referendum uitgeschreven zal worden (daarmee mijn bewering van vorige week dat een nieuw referendum onvermijdelijk was, logenstraffende).

Moeten we daarover juichen? Enerzijds wel, omdat terugkeer tot de normale procedure aanneming van het nieuwe verdrag vrijwel zeker maakt en Nederland daarmee uit zijn isolement zou bevrijden. Maar daarvoor betaalt het kabinet binnenslands een zware prijs.

Immers, de indruk wordt bevestigd dat de politieke klasse, als het haar zo uitkomt, een loopje neemt met de gevoelens van het volk zoals, in dit geval, uitgedrukt in een referendum. De wrevel die leidde tot het postume succes van Pim Fortuyn in 2002 en dat van demagogen als Marijnissen, Wilders en Verdonk in 2006, zou dan eerder groter dan kleiner worden. Eens zal dit zich wreken.

Dit wat het effect in eigen land betreft. En het effect naar buiten toe? Vooraf moet gezegd worden dat Nederland in zoverre niet uniek is dat er in andere landen geen sprake is van een kloof tussen politieke klasse en kiezers. Het is heel waarschijnlijk dat in sommige landen die het grondwettelijk verdrag wél hebben geratificeerd, dat ook zou zijn afgestemd als daar een referendum zou zijn gehouden. Onvrede met het heersende bestel uit zich overal anders.

In Frankrijk, bijvoorbeeld, bestaat die onvrede ook. Daar heeft die er al toe geleid dat, wie er straks ook president zal worden: Sarkozy of Ségolène Royal, het in elk geval een outsider zal zijn, iemand die, zoals onlangs in Le Monde stond, „de navelstreng met zijn/haar partij doorgesneden heeft”.

Maar er zijn verschillen tussen beide landen. Van Frankrijk zijn de partners grillen vanouds gewend, van Nederland niet. Het Franse nee tegen de ‘grondwet’ paste dus in een patroon dat zij kenden. Van het brave Nederland verraste het hen, en daar houden zij niet van. Bovendien houden zij sowieso meer rekening met Frankrijk dan met het kleinere Nederland. Die verschillen zal Nederland de komende maanden komen te voelen (als het ze niet al gevoeld heeft).

Zij werden goed onder woorden gebracht door de europarlementariër die Mark Kranenburg in de krant van 27 januari aanhaalde: „Alles is erop gericht de Fransen over de streep te trekken. Nederland speelt geen enkele rol. Dat zal in juni een oplossing opgelegd krijgen.” Door een referendum te vermijden, dat bijna zeker weer op een ‘nee’ zou uitlopen, zijn de kraamvaders van Balkenende IV vooruitgelopen op die situatie.

Maar daarmee is Nederland nog niet teruggekeerd tot zijn oude plaats in de Europese orde. Immers, met zijn nee tegen de Europese ‘grondwet’ had Nederland, dat de reputatie had een berekenbare partner te zijn en bovendien in Europa’s voorhoede te staan, zijn partners niet voor de eerste keer verrast. Dat had het al eerder gedaan door de meteorieke opkomst van Pim Fortuyn, door de moord op hem en, twee jaar later, door de moord op Theo van Gogh. Dit alles paste niet in het rustige, weinig opwindende beeld dat de wereld van Nederland had. Dit tast natuurlijk ook Nederlands internationale positie aan. Met zijn berekenbaarheid is het zijn invloed kwijt.

Daarom is het niet helemaal onverschillig wie er in het nieuwe kabinet-Balkenende de post van Buitenlandse Zaken krijgt. Van de huidige minister, Ben Bot, wordt gezegd dat hij graag zou bijtekenen. Maar er zijn kapers op de kust, politici die door hun partij met een post beloond moeten worden. Die zijn ongetwijfeld voortreffelijke krachten, maar zij missen Bots ervaring.

Die was immers, vóór zijn ministerschap, zijn leven lang diplomaat, gespecialiseerd in Europese zaken. Gedurende tien jaar verdedigde hij als permanent vertegenwoordiger Nederlands belangen en inzichten in Brussel. Hij kent het Europese circuit dus door en door. Ieder die er daar toe doet, waardeert hem om zijn intelligentie, dossierkennis en hardnekkigheid.

Over die troeven beschikken zijn mededingers, hoe voortreffelijk ook, niet; althans nog niet. Zijn opvolger zal zich eerst vertrouwd en gerespecteerd moeten maken bij zijn collega’s, en zoiets duurt enkele jaren. Die jaren kan Nederland goed gebruiken om zijn aangetaste aanzien te herstellen, althans bij die collega’s. Dat kan een geziene insider beter dan een beginneling.

Zeker, de invloed van zelfs de beste minister van Buitenlandse Zaken van Nederland op de gang van zaken in de wereld, of zelfs in Europa, is marginaal, maar voor Nederland zelf kan die marge beslissend zijn. In laatste aanleg evenwel hangt alles af van het besef, niet alleen in de politieke klasse, dat Nederland niet kan doen alsof het een eiland is.