Jaren vijftig

Waar ik me, samen met het nieuwe kabinet, nog het meest op verheug, is de terugkeer naar de jaren vijftig. Of, zoals het regeerakkoord het stelt: „Denk aan de saamhorigheid en de lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, solidariteit in de klassieke verzorgingsstaat, een rijk verenigingsleven.”

Terwijl ik het las, hoorde ik Balkenende op de tv uitleggen waarom hij tegenwoordig op persconferenties journalisten met de vinger aanwijst als ze een vraag mogen stellen. Wat er gebeurt als ze per ongeluk met een impertinente vraag komen, zei hij er niet bij. Ik zie de wijsvinger van de premier dan al in de richting van de deur priemen: „Ga jij maar even afkoelen bij het kolenhok, joh.”

Nederland als één grote, saamhorige schoolklas uit de jaren vijftig. Het heeft wel iets, wat zeg ik, het heeft véél. Een groot heimwee naar die jaren overweldigt me al.

Ik zie ons ’s morgens alweer naar de eerste vraag van de meester luisteren: „Wie is er naar de mis geweest?” De meeste vingers gingen trots de lucht in. Ik zat er dan een beetje beschaamd bij, want mijn ouders waren niet streng in de (katholieke) leer en lieten ons lekker doorslapen.

Waar ik me minder gemakkelijk aan kon onttrekken, was de klassikale gang naar de biechtstoel. Keurig zat je met de andere jongens in de kerkbank op je beurt te wachten, terwijl je niet je zegeningen, maar je zonden telde. En maar hopen dat de biechtvader deze keer niet te erg uit zijn mond rook.

Biechten – het was de grofst denkbare schending van de privacy van het kind, maar niemand maalde daar om. Iedereen om je heen deed het, je kon niet achterblijven. Saamhorigheid, solidariteit, alles had zijn prijs in de jaren vijftig.

De kapelaan gaf godsdienstles op school, zeg maar een cursus normen en waarden avant la lettre. Kritische vragen over de bijbel en de catechismus werden niet op prijs gesteld. De mens stamde niet van de aap, maar van Adam en Eva af, en daarmee basta. Je luisterde braaf en probeerde zo diep mogelijk onder de bank weg te zinken als de onvermijdelijke vraag kwam: wie wil er misdienaar worden?

Thuis gingen de gezellige jaren vijftig rustig door.

Niet dat moeder zat te wachten met het spreekwoordelijke kopje thee. Ze had wel wat anders te doen. Kleren moesten gekeerd worden om ze langer te laten meegaan. Een wasmachine had ze nog niet, dus was ze genoodzaakt de was ‘op de hand’ doen. Verder moest ze alle boodschappen doen, het huis van onder tot boven blinkend houden en op tijd de piepers ‘jassen’ én opzetten, want als pa om zes uur thuiskwam en geen dampende maaltijd aantrof „dan zwaaide er wat”.

O heerlijke jaren vijftig.

Toen jongens en meisjes elkaar slechts vanuit de verte mochten bekijken en seksualiteit alleen bij haar vieze naam genoemd mocht worden.

Toen vaders en moeders elkaar diep haatten, maar niet uit elkaar durfden gaan „omdat je dat niet deed”.

Toen de journalist onderaan de vliegtuigtrap stond en tegen de premier zei: „Excellentie, mag ik u iets vragen?”