‘Grnk’, hoorde ik hem doen. ‘Grnk, grnk.’

Ik weet niet wanneer u deze column leest, maar mocht het tijdens het ontbijt zijn: eet eerst maar even op, zet uw bordje in de keuken, en kom dan weer terug. Want ik ga een maatschappelijk onderwerp behandelen dat erg belangwekkend is, maar nogal vieze kantjes heeft. (Eigenlijk alleen maar vieze kantjes.)

Bent u er weer?

Goed, ik wil het hebben over de kwat. U weet wel, de enorme spuugkledders die mensen door de openbare ruimte laten vliegen. Het woord ‘kwat’ is een onomatopee: als iemand een kwat uitspuugt, dan hoor je: ‘Kwat’. Tot zover de achtergrondinformatie.

Vroeger kwatte niemand. Ja, misschien één oud mannetje dat op de rand van de dood stond en zijn laatste rocheltje acuut kwijt moest na een lange, door de sadistische fysiotherapeut van het bejaardenhuis opgelegde wandeling met de rollator. Verder was kwatten geen algemeen gebezigd tijdverdrijf.

Maar nu. Gisteren fietste ik over straat, en voor mij fietste een man die zich opmaakte voor een uitgebreide kwat. ‘Grnk’, hoorde ik hem doen. ‘Grnk, grnk.’ Ik ging langzamer fietsen om niet in de slipstream van zijn kwat terecht te komen. En daar vloog de kwat, bijgeschenen door de lentezon, zo het fietspad op. Ik kon weer in normaal tempo gaan fietsen. Maar, ‘Gah-rrnk’, daar kwam de na-kwat. In de diepste diepten van zijn huig had de man nog wat spuug weten te vinden.

Hebben deze mensen (of eigenlijk mannen, vrouwen zie ik nooit kwatten) geen slokdarm? Of hebben zij een ziekte waardoor zij constant een overvloed aan spuug hebben? Of hebben zij, zoals honden en poezen, de instinctieve neiging middels rondsproeiend lichaamssap hun territorium (het fietspad, een gezellig pleintje) af te bakenen? Of zijn het nare mensen die het heerlijk vinden andere weggebruikers te confronteren met de inhoud van hun strot?

Ik kies voor antwoord D (nare mensen). En daarom roep ik altijd ‘Gadverdamme!’ tegen kwatters. Dat heb ik gisteren ook gedaan, en het hielp geen zier. Sterker nog, ik riep het meteen na de eerste kwat, en daar kwam de na-kwat zonder schroom achteraan.

Mijn vriendin P. noemt me vanwege ‘Gadverdamme!’ een ‘actieve burger’, wat ik fijn vind. Maar het is geen bewuste keuze; ik móét ‘Gadverdamme!’ roepen. Het is een innerlijke drang. Net zoals sommige mensen de innerlijke drang voelen om elke stoepsteen van de stad te bespugen.

    • Aaf Brandt Corstius