Graag schrappen

Ieder kabinet en ieder regeerakkoord heeft recht op z’n eigen nonsens: symbolische ingrepen, onrijpe plannetjes, open deuren, hobbypaarden en andere ingevingen. Het is allemaal geboren in de euforie van het moment dat ‘macht’ heet. Straks zal het voortschrijdend inzicht zijn zuiverende werk doen. Ook dit akkoord, dat in grote lijnen positief wordt beoordeeld, heeft onderdelen die beter afgevoerd kunnen worden. Niet omdat ze niet goed bedoeld zouden zijn, maar omdat het geen taken van de overheid zijn, dan wel excentrieke of ideologische keuzes.

Dat geldt bijvoorbeeld het ‘gratis’ ter beschikking stellen van schoolboeken aan middelbare scholieren. Die rekening hoort thuis bij ouders en niet bij de belastingbetaler in het algemeen. Zo’n kolossale subsidie verstoort de markt en neemt de druk weg op uitgevers om hun prijzen reëel te houden.

De notie dat ‘kunst en cultuur moeten bijdragen aan gemeenschapsgevoel en trots in de samenleving’ is op z’n best een vrome wens. Kunst en cultuur moeten helemaal niks. Gelukkig zijn er nog de vrije krachten van de geest die zich niet vanuit het Catshuis in dienst van het gemeenschapsgevoel laten stellen. Mocht deze notie zich nog verder vertalen in subsidiebeleid – ‘Bevordert deze toneelgroep wel de trots in de samenleving?’ – dan is te hopen dat het gezonde verstand een snelle overwinning zal boeken. En dat de kunstenaar zich niet zal laten rekruteren.

Iets serieuzer, maar niet minder overbodig, is het voorstel de Nederlandse taal als ‘bestuurs-, cultuur- en omgangstaal’ in de Grondwet vast te leggen. Twijfelde iemand hieraan? Goed bedoeld, maar verkeerd gericht is het idee om het vak ‘ondernemerschap’ in het leerprogramma op te nemen. Initiatief, creativiteit en zelfstandigheid zijn onderdeel van ieder vak of zouden dat moeten zijn. Ondernemerschap is een houding, geen vak. Het curriculum is ook geen kerstboom voor de tijdelijke idealen uit de politieke conjunctuur. Arrogant is het neologisme ‘maatschappelijke onderneming’ voor publieke taken. Ook particuliere ondernemingen vervullen maatschappelijke taken in een publiek belang.

Illusoir is de gedachte dat ‘radicaliserende boodschappen’ en terreurhandleidingen via internet verboden kunnen worden. Een ‘radicaliserende’ boodschap is geen objectief criterium. Of een boodschap ‘radicaliseert’ wordt immers bepaald door de ontvanger. Hier dreigen censuur en symboolwetgeving. Algemeen wordt aangenomen dat verspreiding via internet niet te reguleren is.

Ronduit bijzonder is de nieuwe plicht voor ‘alle burgers’ die zich ‘beschermd weten’ door de grondrechten deze ook te verdedigen, ‘ook of juist in de eerste plaats voor een ander’. Aangezien grondrechten voor iedereen gelden en iedereen zich dus beschermd ‘weet’ heeft de burger er een dienstplicht bij gekregen. De grondrechten zijn veranderd in grondplichten: om te beginnen om het er mee eens te zijn. Strijden voor de vrijheid van godsdienst en voor de vrijheid van meningsuiting. Dit zou moeten neerslaan in een nieuw Handvest van ‘verantwoordelijk burgerschap’. Er bestaat echter ook de vrijheid om het er niet mee eens te zijn. Ook anarchisten kunnen verantwoordelijke burgers zijn. Dat is nu eenmaal de paradox van een samenleving met vrije burgers.