Geest van Schubert in Derde van Bruckner

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 7/2 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 8/2 aldaar.

Al schelen ze een cruciale generatie, voor Mariss Jansons – chef-dirigent van het Concertgebouworkest – zijn Schubert en Bruckner meer dan landgenoten. Jansons hoort een spirituele gelijkgezindheid in beider werken. Iets fris, maar toch gewijds. Op die gedachte bouwde hij het wonderlijke maar verrassend kloppende programma met de Derde symfonie van Schubert én die van Bruckner dat het orkest deze week tweemaal uitvoert, en waarmee het daarna op tournee gaat. Zowel Bruckner als Schubert zijn voor Jansons weliswaar geen onontgonnen terrein, maar zeker ook geen core-business; met het Concertgebouworkest voerde hij beide componisten nog nooit eerder uit. Opmerkelijk was dus de keuze voor tweemaal de Derde symfonie, omdat die bij Schubert noch Bruckner tot dier beste werken worden gerekend.

Dat de combinatie toch overtuigde, is Jansons’ verdienste. Schuberts Derde symfonie is een innemend jeugdwerk, waarvan Jansons de structuur helder uitéén zette. Met een robuuste aanpak en een volle klank van het in wat kleinere bezetting spelende orkest liet hij het werk soms eerder klinken als een opmaat tot de romantiek dan een uitvloeisel van de Weense klassieken. In de hoffelijke charme van het Allegretto en het vurig aangejaagde slotdeel klonk Schubert bij vlagen opvallend midden-Europees. Maar overall liet Jansons deze Derde symfonie zonder gemaniëreerde extremen zijn wat zij is; pretentieloos muzikantesk.

De brug naar Bruckners Derde symfonie liet zich van daaruit moeiteloos bouwen. Bruckners Derde bezit in flarden en ideeën het genie van de latere symfonieën en wijst daarnaar soms ook letterlijk vooruit. Maar in de uitwerking van die ideeën en een melodische nadrukkelijkheid (Adagio) mist zij het ondoordringbare karakter van de latere werken. De Derde is wel al monumentaal, maar nog niet volkomen monolithisch, en – met Jansons – hoor je er soms óók nog een beetje de geest van Beethoven en Schubert in rondwaren. Maar afgezien van een galante, montere aanpak in het slotdeel behandelde Jansons de symfonie zoveel mogelijk als volbloed Bruckner, met scherp naast elkaar geplaatste fragmenten als bouwstenen van een in één lijn getrokken opbouw van het geheel.