De dubbele rol van de burgemeester

Burgemeester Jorritsma van Almere heeft haar belangen als burger en bestuurder van Almere niet altijd gescheiden gehouden, blijkt uit een rapport over de waterboringen onder haar huis.

Het gedrag van burgemeester Annemarie Jorritsma botst met de integriteitscode van de gemeente Almere. Het betreft de affaire rond de illegale waterboringen onder haar woning

Dat valt op te maken uit een gisteren verschenen rapport van onderzoeker H. ter Braak. Hij heeft op verzoek van de Almeerse gemeenteraad de integriteit van Jorritsma bestudeerd. De raad spreekt vanavond over het rapport.

Jorritsma heeft de integriteitscode op twee onderdelen overtreden. Het gaat om de openheid die ze als bestuurder dient te betrachten en om haar onafhankelijkheid, nodig om elke schijn van belangenvermenging te vermijden.

Toen commissaris van de koningin Michel Jager van de provincie Flevoland in mei vorig jaar Jorritsma informeerde over de in haar woning aangetroffen illegale situatie had ze dat intern moeten melden. Duidelijk is, aldus het rapport, dat Jorritsma „heeft nagelaten” het college en de fractievoorzitters van de gemeenteraad te informeren. Tegenover de onderzoeker gaf Jorritsma toe dat ze het „bij nader inzien verstandiger had gevonden” als ze dat wel gedaan had. Nu hield ze de zaak stil, hetgeen niet strookt met de transparantie en openheid die de integriteitscode van haar verlangt. December vorig jaar lekte de kwestie uit in de pers.

Tweede verwijt dat Jorritsma gemaakt kan worden, is dat ze als burgemeester afstand had moeten houden tot haar privé-zaak. Uit het rapport blijkt dat ze dat niet altijd heeft gedaan.

Op 21 juni vorig jaar vergaderde burgemeester Jorritsma met twee hoge gemeenteambtenaren „over haar positie als burger”. Daarbij vroeg ze de ambtenaren om door „informeel ambtelijk overleg” haar kwestie bij de provincie „aan te kaarten”. Later bespraken provinciebestuurders, gemeentesecretaris en Jorritsma de kwestie. „Daarbij was Jorritsma in haar rol als burgemeester die als privé-persoon mogelijk een wet had overtreden”, meldt het rapport. In het gesprek kwam aan de orde hoe de provincie de overtreding van de privé-persoon Jorritsma wilde gaan handhaven. Het rapport: „Het is ons inziens niet zuiver wanneer bij een dergelijk gespreksonderwerp ook de persoon aanwezig is [Jorritsma, red] waarop de handhaving betrekking heeft.”

Uit het rapport blijkt dat betrokkenen verklaren dat Jorritsma zich „verre gehouden heeft van het bouwproces, vergunningaanvraag en verlening”. Wel blijkt ze als burgemeester „in de wandelgangen” gemeente-ambtenaren aangesproken te hebben op de „traagheid” van de afhandeling van de bouwvergunning voor haar woning.

Het rapport signaleert ook tegenstrijdige verklaringen van Jorritsma en de provinciebestuurders. Zo zegt Jorritsma dat gedeputeerde Laura Bouwmeester haar belde en zei dat de provincie „een oplossing” zou zoeken. Bouwmeester kan zich zo’n gesprek niet herinneren.

De provinciebestuurders zeggen dat ze bij Jorritsma aangedrongen hebben op „passende maatregelen” toen de illegale situatie door de provincie was ontdekt. Jorritsma ontkent dit. Ook de gemeentesecretaris zegt zich dit niet te kunnen herinneren.

Wie verantwoordelijk is voor het boren zonder vergunning is ook niet duidelijk. De familie Jorritsma gaf opdracht aan aannemersbedrijf Jorritsma (de burgemeester is hier mede-eigenaar van). Het bouwbedrijf acht echter onderaannemer Lijnberg Installatiebedrijf verantwoordelijk. Lijnberg verwijst door naar onderaannemer Duratherm. Deze op zijn beurt wijst elke verantwoordelijk af. In de voorwaarden van het bedrijf staat dat de opdrachtgever voor de vergunningen dient te zorgen.

Het rapport constateert dat Jorritsma „het risico heeft genomen in conflict te komen met de wet en daarmee, gelet op haar positie, tevens een bestuurlijk risico is aangegaan”. Het rapport bevat feiten waaruit opgemaakt kan worden dat Jorritsma dat risico niet bewust is aangegaan. Zo is niet gebleken dat Jorritsma „een aanmerkelijk materieel belang had dat als motief zou kunnen gelden voor het nemen van het risico.”

Tegelijk ontdekte onderzoeker Ter Braak dat Jorritsma „kon weten” dat voor grondwateronttrekking en installatie een ontheffing of vergunning nodig was: „Zij heeft er als minister van Verkeer en Waterstaat over gesproken in de Tweede Kamer.”

    • Joep Dohmen